Naar de inhoud
Inhoud

Doorzoek alle 55 hoofdstukken, het voorwoord en het slotwoord.

Hoofdstuk 7 · 1945–1957

Ome Teus ook een keertje gefopt

3 min lezen · blz. 18–20 in het boek

Ome Teus (met bril) in het midden
Ome Teus (met bril) in het midden

Ome Teus (met bril) in het midden

Zo kocht Teus ook eens voor weinig geld een smal, moeilijk te verkopen vrachtwagentje op. Het was een Chevrolet van 1.80 meter breed, die niemand in die tijd meer wilde hebben omdat de wettelijke breedte naar 2.10 was gegaan. Teus wilde hem wel hebben, kocht het en zette hem netjes naast zijn huis in Soest. Niet veel later kwam er een man van een bouwmaterialenhandel. Die had een gemetselde poort van ruim twee meter breed. Hij zat altijd te tobben met het transport van de cement die aankwam per spoorwagon en met dat smalle autootje kon hij de cement mooi door de poort rijden. Zo kwam Teus ons vertellen dat hij weer iemand helemaal gelukkig had gemaakt en dat mocht uiteraard wat kosten. Wij haalden dikwijls auto’s voor Ome Teus op sleep uit Utrecht, ik was een jaar of zestien. Na het melkrijden sleepten we ze met een trekstang naar Baarn, ik mocht dan in de sleep sturen en af en toe bijremmen als je dacht dat het nodig was. Op die leeftijd wil je op de werf thuis natuurlijk met zo’n ding rijden. Maar op zekere dag kon ik een legerwagen niet in z’n achteruit krijgen. Op het laatst belde ik toch met wat schaamtegevoel maar naar ome Teus. “Ja dat klopt”, zei hij heel droog, “dat zei die man ook al. Een achteruit zit er niet op. Je moet hem gewoon achteruit tegen de muur opduwen, dan kan de koper er vooruit mee weg.” Ome Teus nam altijd iedereen in de maling. In dezelfde periode reed ik eens met mijn tractor naar huis en zag ik hem bij een banketbakker staan. Een kwartiertje later kwam hij bij ons langs met een grote doos van de banketbakker naast zich in de auto. Hij ging binnen koffiedrinken en wij haalden de banketletter uit de doos, vulden de doos met een fietsband met zand en zette hem weer netjes in zijn auto.

Er gingen drie dagen overheen en toen kwam ome Teus langs. Hij had die doos aan zijn vrouw gegeven, die had hem in de ijskast gezet en zondags kwam de visite. Ze zei tegen Teus: “Wat flik jij nou weer? Kom eens even kijken.” Hij dacht: dat hebben die meiden van de banketbakker gedaan, want hij was een goede bekende van die bakker. Teus belde de bakker op: “Hebben jullie nog meer van die beste letters?” “Hoezo?” “Nou, ik heb een fietsband mee gekregen.” “Nou, dat is hier echt niet gebeurd, hoor”, zei de bakker. Toen besefte hij dat hij ook nog even bij die boeven van Jan was geweest en dat daar de wisseling had plaatsgevonden. Mijn vader zei tegen ons: “Zo jongens, eet maar lekker op dat lettertje, dat zou hij zelf ook geflikt hebben.” Teus zag er ook geen been in om ’s morgens om zes uur al bij ons in de keuken te zitten. Hij was altijd vroeg op en wij hadden thuis in de Sparrenlaan een deur alleen voor de wind, zonder slot. Dan kwam je om kwart voor zes beneden en had hij alvast thee gezet. “Ja ik was vroeg wakker en er is nog geen kroeg open, dus ik dacht ik ga maar even naar die mannen van ome Jan.” Hij had ook weer eens een mooi verhaal. Jo, zijn tweede vrouw, wilde heel graag een klein orgeltje. Teus zag op de markt zo’n orgeltje, kocht het voor 500 gulden en zei tegen die koopman: “Voor die prijs breng je het in Soest. Zeg maar tegen mijn vrouw dat ik je gestuurd heb en vraag maar 750 aan haar. Als ze er niet blij mee is hoor ik het wel.” Maar Tante Jo was hartstikke blij en toonde vol trots haar nieuwe aanwinst. Ze zei tegen Teus: “Dat heb je nou eens goed gedaan om die man met dat orgeltje naar me toe te sturen.” Teus zei daarop tegen ons: “Dat is pas koopman zijn; geld verdienen aan je eigen vrouw. Meestal kosten ze alleen maar geld.”

Foto uit het boek