Hoofdstuk 51 · 1999–2011
Werk in een krottenwijk
3 min lezen · blz. 139–141 in het boek
Mijn hele leven ben ik voor mezelf bezig geweest, en nu was het tijd om ook eens iets voor een ander te doen. Op die gedachte kwam ik toen mijn boekhoudkundig medewerkster Nina me vertelde over een bouwproject van World Servants. Dat is een christelijke organisatie die gemeenschappelijke gebouwen zoals kerken en scholen realiseert op plaatsen waar dat zonder hulp van buiten niet van de grond komt. In 1999 maakte ik in Lelystad voor het eerst kennis met een groep die aan het werk ging in de Dominicaanse Republiek. Wat me opviel was het in mijn ogen vele bezig zijn met God en het makkelijke bidden en zingen van de daar aanwezige deelnemers. Ik stond ook heel gek te kijken dat we toen we aan tafel gingen gezamenlijk een lied gingen zingen, ‘Praise the Lord’. Dat is niet slecht voor je, maar ik moest er echt wel even aan wennen.
Ook werd verteld dat je tijdens het project niet mocht roken en drinken. Dat tweede was voor mij wel moeilijk en ik zei dat dat ze wel deelnemers zou kosten. Ze zeiden echter dat ze zo met doelgerichte mensen een project konden realiseren en ik denk dat ze daar wel gelijk in hadden. In maart 1999 vloog ik naar de Dominicaanse Republiek om mee te bouwen aan de verdieping op een al bestaande school. De school stond in een krottenwijk, de armoede was enorm. Iedereen woonde in kleine huisjes, gebouwd van gebruik materiaal. Er was geen asfalt of straatstenen, het vuil werd niet opgehaald maar gewoon weggegooid en in brand gestoken. De mensen waren echter heel vriendelijk, groetten ons altijd en beschouwden je als één van hen: o ja, die komt ons helpen de school te bouwen.
We kregen een rondleiding door de wijk, wat ik eerst niet wilde, want ik kon zo ook wel zien hoe slecht ze het hadden, dat hoefde ik ze niet te vragen. Toch zei men dat we het wel moesten doen en dat de mensen blij waren met de belangstelling die wij voor hun ellende hadden. Ook sociaal gezien waren het vaak asociale situaties, mannen wisselen daar net zo gemakkelijk van vrouw als wij van auto. Zelf sliepen we met acht man in wat men noemde de missiepost. Dat was een kamertje van vier bij vier met vier stapelbedden, één douche en één wc. Daarom ging ik ’s morgens al om zes uur douchen. Voor het eten eerst de dagopening op het balkon en dan met zo’n Amerikaanse gele bus naar de bouw. Het werk was redelijk zwaar, eerst met de hand cement maken, dan werd alles handmatig omhoog getakeld en kon het metselen beginnen. Je moest heel veel water drinken, anders ging je onderuit, maar desondanks heerste een ongekend enthousiasme.
In de school werd ook een praktijkruimte gevestigd voor een huisarts, dokter Enerio. Die vertelde dat toen hij was afgestudeerd, hij veel geld, een mooi huis en een grote auto wilde. Toen hij eens in de wijk kwam en geen geld kreeg (want dat was er niet), kwam hij erachter dat hij de enige arts was die daar wel eens kwam. Zijn idee van welvaart liet hij daarop vallen, met enige financiële steun van de regering zette hij zich vanaf dat moment in voor de krottenwijk. Hij vond dat hij daardoor een rijk gevoel had gekregen, dat in geld niet uit te drukken was.