Hoofdstuk 5 · 1945–1957
Melk rijden
2 min lezen · blz. 14–15 in het boek
We waren inmiddels verhuisd naar de Sparrenlaan, waar we tot na de oorlog woonden. Daar was mijn vader een melkafgiftestation begonnen. Mijn ouders verkochten de taxi en kochten van de opbrengst hun eerste auto voor het transporteren van melk. Vader staat op een foto naast een Opeltje en ik zat op de motorkap, het was zijn eerste nieuwe bedrijfsauto. Hij kocht altijd oudere auto’s van ome Gijs, maar mijn moeder had er erg op aangedrongen om ondanks de zware financiering nu eens een nieuwe te kopen. Vroeger hadden de boeren alleen vee voor het eigen levensonderhoud. Maar de tijden veranderden en de eerste zuivelfabrieken werden gebouwd. De boerenbedrijven werden grootschaliger. Zo kwamen ook de , die vol met melk moesten worden opgehaald bij de boeren en naar de fabriek worden gebracht. Meestal wel 100 tot 180 bussen per rit, die allemaal met de hand geladen moesten worden. Daarnaast deed mijn vader na de oorlog ook al tankvervoer. Hij had een auto waar een grote tank op zat, zoals de melk nu nog steeds bij de boer wordt opgehaald. Na de oorlog heeft hij zijn bedrijf verder uitgebouwd met meer melkritten. Later verkocht mijn vader het tanktransport inclusief auto’s aan Speksnijder, die nu nog in Alphen aan de Rijn gevestigd is. Mijn vader bouwde vaker iets op tot het een bepaalde waarde had en verkocht het dan. Dat soort handel heb ik ook nog wel gedaan. Die Speksnijder kwam in de Sparrenlaan wonen en wij verhuisden naar Eembrugge, waar ik van mijn achtste tot mijn twaalfde heb gewoond.
Vader ging toen vooral melk ophalen in melkbussen, hij begon eigenlijk weer opnieuw. We haalden de melk op in Laren, Blaricum, Baarn en Eemnes: vier ritten. Vanaf ons huis in Eembrugge liepen we de 3,5 kilometer naar school, de Koningin Wilhelmina School, dat was heel normaal in die tijd. Zonder dat ik het wist was ik thuis eigenlijk een beetje eenzaam. Het had zijn mooie dingen; de natuur, de polder en de Eem, maar ik was zo blij als een kind toen we naar de Balistraat verhuisden. Moeder wilde terug naar Baarn, want ze was bang dat wij ‘wilden’ werden aan die Eembrug. Aan de Balistraat hadden we een vrijstaand huis met een grote bedrijfsruimte, op de grond waar nu de Plantage is. We zagen voor het eerst een bad, daar had ik alleen over horen praten. En een mooie tuin eromheen, met vruchtbomen. Daar leerde ik ook mijn latere vrouw Jenny kennen.