Hoofdstuk 4 · 1827–1945
Tweede Wereldoorlog
1 min lezen · blz. 12–13 in het boek
Toen de oorlog uitbrak was ik een baby, ik heb er dus maar weinig herinneringen aan. Wel weet ik dat mijn vader me vaak meenam met paard en wagen. Hij deed dat om een uitvlucht te hebben bij . Tegen het einde van de oorlog heb ik dat ook een keer meegemaakt. We kwamen met paard en wagen Hilversum uitrijden in opdracht van de regionale voedselvoorziening toen er was bij het sportpark Hilversum op de Soestdijkerstraatweg. “Melden voor Duitsland”, zei de Mof die ons aanhield.
Mijn vader liet zijn papieren zien maar daar had deze knakker niets mee te maken. “Goed”, zei pa, “ik kom me zo melden maar ik breng even mijn zoon naar huis.” Hij moest zijn papieren inleveren en mocht toen omkeren.
We reden naar mijn opoe in de Eerste Oosterstraat, het paard in de schuur en ik zie mijn vader nog over de schutting klimmen om bij zijn broer Gijs een paar dagen onder te duiken tot alles weer een beetje rustig was. Ook herinner ik me dat mijn moeder heel erg huilde toen we na drie dagen weer boven water kwamen. Als bij bombardementen het luchtalarm ging, moesten we schuilen onder de trap, want volgens mijn moeder bleef de trap meestal staan als een huis getroffen werd. Mijn moeder zei dan: “Bid maar dat de Here God ons bewaart.” Ik prevelde dan: “O Heer bewaar ons” en dan antwoordde mijn jongere broer Henk: “Ja dat doet ie wel.” Wij zijn in de oorlog niets te kort gekomen, mijn vader wist altijd wel aan eten te komen.
Later heb ik van buren gehoord dat hij ook voor zijn omgeving daar waar het kon goedgeefs is geweest zonder het doel zich aan andermans honger te verrijken. Zelf heb ik nog een foto van het bevrijdingsfeest, daar sta ik op in een bevrijdingsoptocht als ‘Jantje van alles’. Dat is wel representatief voor mijn verdere leven…