Naar de inhoud
Inhoud

Doorzoek alle 55 hoofdstukken, het voorwoord en het slotwoord.

Hoofdstuk 44 · 1959–1999

Showbizz op de Noordschil

5 min lezen · blz. 118–121 in het boek

Commotie in de componistenbuurt
Commotie in de componistenbuurt

Commotie in de componistenbuurt

Het leven ging weer gewoon zijn gang, met voor mij het rustgevende gevoel dat ik de grond aan de Hermesweg nu definitief in mijn bezit had. Ik kon in ieder geval doorbouwen, we waren met zijn drieën gestart en als ik Gijs en James ook de welstand gunde die ik zelf voor ogen had, moest er echt nog wel iets gebeuren. In die tijd was er een gebrek aan opslagmogelijkheid in de Amsterdamse haven. Die moest leeg om nieuwe aanvoer te ontvangen en het hout moest dus het land in. Maar niet iedere houthandel had daar ruimte voor, dus kocht ik een zijlader en begon hout op te slaan op het door mij aangekochte weiland. De gemeente zou dat zeker niet goed vinden, maar voordat het gevecht over zou zijn, zouden we een paar maanden verder zijn en zou het meeste alweer weg zijn. Op dat moment ontstond ook de gedachte om op het toekomstige industrieterrein een hal te bouwen die ook geschikt is voor het opslaan van grote partijen hout. De gemeente was er intussen achter dat ik eigenaar van dat toekomstige industrieterrein was geworden. Ik werd op het gemeentehuis ontboden door de wethouder die mij twee jaar geleden naar Almere wilde hebben. Hij was boos en vroeg waar ik de euvele moed vandaan haalde om voor de neus van de gemeente die grond aan te kopen. Zelf vond ik dat ik dat heel goed had gedaan, maar dat wilde ik hem niet uitleggen. Hij gaf me het advies om de 4 hectare aan de gemeente te verkopen, dan zouden zij er industrieterrein van maken en kon ik van de gemeente weer een stukje terug kopen. Nou dat leek mij niet zo’n goed idee en ik deelde hem mede dat de gemeente van mij kon kopen wat ik over had. Dat vond hij weer niet goed en ik moest er nooit op rekenen dat de gemeente met zo’n deal akkoord zou gaan. Dan blijf ik wel op de Verbindingsweg zitten, zei ik, en ik nam afscheid. Thuisgekomen bracht ik verslag uit bij de buurt en zei dat men steen en been moest gaan klagen bij de gemeente over de overlast die het bedrijf Dorrestijn veroorzaakte op de Oosterhei. Dat was ook echt zo, iedere dag kwamen er twaalf combinaties tanken en het werkbriefje pakken voor de volgende dag. Als ik er nu aan terug denk dat het echt heeft plaatsgevonden, voel ik me oud. Er zijn met de intrede van het computertijdperk zo veel dingen veranderd, dat is bijna niet te bevatten. Als je toen leeg was moest je meestal bellen, of bij je los adres of bij een tankstation langs de weg. Nu krijgt de chauffeur via de computer alles in de cabine aangeleverd en kan er vanuit de cabine worden gebeld. Sterker nog, men kan nu op de planning zien waar de wagen zich bevindt. Al met al is er in die veertig jaar een heleboel veranderd. Omdat Dorrestijn en de gemeente er zo niet uitkwamen werd er een onderhandelaar benoemd.

Met deze man was te praten en met een paar maanden waren we eruit. Met een vergoeding van de ontsluitingskosten aan de gemeente over het gedeelte dat ik wilde behouden, circa 12.000 vierkante meter, verkocht ik het restant aan de gemeente. Die zou dat dan bouwrijp maken en verkopen aan belanghebbenden uit de gemeente Baarn. Dat was in 1980. Ik moest mijn eigen grond bouwrijp maken, dat hield in dat van de 12.000 vierkante meter eerst een laag van 60 cm grond moest worden afgevoerd, dat is 7.200 kubieke meter, zijnde 720 kiepwagens. Dat zou een vermogen kosten en dat had ik niet. Ik loste het op door verschillende slopers te bezoeken waaronder Fokker Bussum en Peter Lamphen Blaricum. Die zetten gratis een kraan op mijn grond, voerden met gesloten beurs zwarte grond af en brachten schone puin van sloopopdrachten uit de regio om de zaak een meter op te hogen. Ik had zelf een Hanomag shofel gekocht om het te vlakken, het hout eruit te rapen en er op toe te zien dat er geen verkeerde dingen gestort zouden worden. Het hout werd af en toe in de fik gestoken want ik hou van een schone bouw.

Op een bepaald moment had ik meer puin dan dat er zwarte grond werd afgevoerd. Ik besprak de zaak met Henk van Asch, een aannemer uit Soest, en die kon de zaak wel oplossen: “Voor 30.000 gulden graaf ik het af en sla het op in Soest.” Dat hield in dat het dan nog van mij was en ik er opslagkosten over zou moeten betalen zo lang als het er lag, kortom dat werd niks. Wel had ik de mazzel dat ik in contact kwam met ene De Jong uit Heemstede, die circa 50.000 kubieke meter zwarte grond zocht voor een golfbaan in de duinen van Zandvoort. Men kwam monsters nemen van de grond en die was prima. Voor 18 gulden per kubieke meter kon ik net zo veel leveren als ik had. Dat was dus een heel verschil: 30 uitgeven of 60 vangen, het moet je maar mee zitten zullen we maar denken. Het puin storten ging gewoon door en na verloop van een halfjaar was de hele 12.000 vierkante meter met uitzondering van de fundering van de hal opgehoogd tot 20 centimeter boven het wegdek. Met Remco Ruimtebouw was ik er na lang onderhandelen uitgekomen wat de kosten betreft en die kon starten met de bouw, die drie maanden later wind-en waterdicht was. De rente van mijn bouwkrediet was schrikbarend hoog opgelopen tot 14%, zo extreem zou ik het in de volgende veertig jaar nooit meer meemaken. Maar de stap tot bouwen en verhuizen was gezet en ik dacht: nu moet je door, Dorrestijn. Hoewel de gemeente intussen akkoord was, lagen de bewoners van de Componistenbuurt nog wel dwars. Samen met bewoners van de Drakenburgerweg vormden ze een comité dat zich inzette om de uitbreiding van de Noordschil tegen te houden. Ik vond dat kortzichtig. Iedereen wil een goed en mooi huis, maar niemand wil de werkplaats of fabriek zien waar het gemaakt wordt en het materiaal waarmee het getransporteerd moet worden. Die moeten toch ook ergens een plek hebben.

Nadat er weer een artikel van het comité in de krant had gestaan dat ze zouden procederen tot de kroon, besloot ik die mensen te laten meemaken wat mijn buurtgenoten in de Sparrenlaan en de Verbindingsweg dagelijks meemaakten. Op een vrijdagavond gaf ik opdracht om al het materiaal, twaalf vrachtwagencombinaties, in de Bachlaan te parkeren tot ze maandagmorgen in de vroege uren weer vertrokken. “Componistenbuurt opgeschrikt door geparkeerde wegreuzen”, stond er de volgende dag met een foto in de krant. Dat was ook de bedoeling. Het gaf me bij mijn buurtgenoten weer een beetje krediet en de Componistenbuurt had iets om over na te denken.