Hoofdstuk 42 · 1959–1999
Een boze buurman
2 min lezen · blz. 113–114 in het boek
Er ging twee jaar voorbij en we beleefden een oliecrisis. Het parkeren, manoeuvreren en tanken ging aan de Verbindingsweg steeds moeilijker. Op een dag kreeg mijn monteur ruzie met een man die er niet door kon, ik hoorde ze schelden en ging erheen om me te verontschuldigen, maar dat pakte anders uit. “Met jou heb ik helemaal niets te maken, gluiperd”, schreeuwde hij en kwam dreigend op me af. Dat had hij beter niet kunnen doen, want ik was enigszins geoefend in de vechtsport. Er vielen rake klappen maar toen ik hem voor de tweede keer met mijn schoen onder zijn kaak trof was het afgelopen. Hij draaide zich vloekend om en ik liep terug naar mijn kantoortje, toen de telefoon ging. Het was Huurdeman, de groenteboer op de hoek van de Lombokstraat.
“Ik wil je even waarschuwen want het is niet zo’n beste waar je mee aan het matten bent geweest. Hij woont twee huizen naast mij, is portier bij kasteel van Antwerpen (een café in de Laanstraat) en veroordeeld voor mishandeling. Ik heb ook onenigheid met hem en hij heeft bij mij suiker in de benzinetank van mijn groentewagen gedaan, dus je bent gewaarschuwd.” Ik bedankte hem en ging helpen wagens met aanhanger achteruit de loods in te rijden. Op een gegeven moment kwam er een Fiat 1100 de Verbindingsweg in rijden met de bewuste man erin. Hij stapte uit met een hond, ik zag hem komen vanuit een vrachtwagen en toen hij ter hoogte van mij gekomen was stapte ik uit en zei: jij zoekt mij. Hij deed een greep in zijn zak, ik rekende op een mes maar het was een ketting. Hij was weer te laat, ik kon de opgeheven hand met de ketting links vastgrijpen en met een goed uitgevoerde schouderworp ging hij over het hek van buurvrouw Imthorn.
Zelf bleef ik aan de straatkant van het hek en met de linkerhand aan de pols met de ketting en met de rechter aan zijn keel hield ik hem over het hek op de grond en riep tegen mijn toegesnelde jongste broer: schop hem in elkaar. Hij gaf hem er wel een paar maar lang niet hard genoeg naar mijn zin. Intussen was ook monteur Rex er weer bijgekomen. Ik liet hem los, sprong over het hekje en vertelde hem dat ik informatie had gekregen hoe hij was. Ik waarschuwde hem dat als er bij mij heel toevallig iets aan mijn auto’s zou gebeuren, zoals spijkers voor de banden of soortgelijke flikkerstreken, dat ik bij hem thuis zou komen afrekenen. En nou oprotten de straat uit en met dat ik dat zei haalde Rex vanaf de zijkant naar hem uit. Ik hoorde het suizen langs zijn hoofd, gelukkig was het mis maar het was wel goed voor de laatste indruk. We hebben nooit last meer van hem gehad.