Hoofdstuk 41 · 1959–1999
Op zoek naar bouwgrond
5 min lezen · blz. 109–112 in het boek
Zoals ik na het overlijden van mijn vader al tegen mijn moeder had gezegd wilde ik van dat melk rijden af. Maar dat was niet zo simpel, want de CMC was eigenaar van de melkrit en als jij stopte, zochten zij een andere rijder en die waren er wel. Toch hoorde de CMC dat ik eraf wilde en er hadden zich al belangstellenden gemeld. Ik werd op het matje geroepen en legde uit dat als ik een koper had voor het materiaal en de rit, ik eerst met CMC zou overleggen en als zij het geen geschikte kandidaat vonden, dan ging de zaak niet door en bleef ik gewoon mijn werk doen. Ik nam wel een beetje risico maar dacht: je kan me ook zo maar niet aan de kant zetten en mijn melkrit aan iemand anders geven. En wat gebeurde er een paar weken later? Ik was intussen 28 en weer gaan voetballen, ik kwam met mijn trainingstas naar buiten op de Verbindingsweg en er kwam een man die zich voorstelde als Willem Poort. Een stevige, nette man van een jaar of dertig. “Ik heb gehoord dat je de melkrit Eemnes wilt verkopen”, zei hij en omdat zijn vader boer was en aan de CMC melk leverde dacht hij wel een kans te maken. Ik vroeg ruim geld voor de rit en het materiaal en dat wilde hij met plezier betalen. Ik ben toch nog gaan trainen met het heerlijke gevoel dat ik voor een goede prijs van het melk rijden af was. Met de opbrengst van de laatste melkrit en de daarbij mee verkochte Mercedes met aanhanger deden we een aanbetaling voor een nieuwe DAF 2600 met een semi-dieplader aanhangwagen. In die tijd laadden we gemiddeld 40 m3 hout op een trailer en met deze combi 60 m3. Aangezien je per m3 betaald werd, werd er goed verdiend. Dat ging altijd maar een paar jaar want dan had de concurrent ook van dit soort wagens en dan moest de prijs weer zakken, maar de eerste paar jaar had je alvast te pakken. In de Verbindingsweg werd het steeds meer tobben met de buren om zowel het parkeren als het tanken zonder overlast te doen plaatsvinden. Op een dag besloot ik naar de gemeente te gaan om te vragen of ik op het industrieterrein geen stuk grond kon kopen om me daar te vestigen. Ik kreeg van de toenmalige wethouder Dumont (als ik me goed herinner had hij een hoedenwinkel in de Laanstraat) te horen dat er voor een bedrijf zoals van mij geen plaats was in Baarn. Ik moest maar naar Almere gaan, daar was plek genoeg, deelde hij me doodleuk mede. Nou dat vond Jan niet goed, ik dacht ga zelf maar naar Almere maar ik doe dat niet. Aangezien ik nooit op de Verbindingsweg kon blijven zitten begon ik zelf naar een stuk grond te zoeken.
Tussen de A1 en de Drakenburgerweg vond ik een stuk van 4 hectare, eigendom van Dirk van de Grift. Ik naar Dirk en hij wilde wel verkopen, maar het was ook van zijn zuster in Apeldoorn. Dus ik naar Apeldoorn en de zaak kwam rond tegen de toenmalige agrarische prijs van circa drie gulden per vierkante meter. Dat lijkt niet veel maar het was in totaal wel een bedrag van 120.000 gulden waar nog niets uitkwam en daarom heel moeilijk te financieren. Met de door mij verkregen grond ging ik terug naar de wethouder.
Ik werd wederom een beetje uitgelachen, hoe ik het in mijn hoofd haalde dat daar een bedrijf gevestigd zou kunnen worden. Deze vier hectare bleven sowieso de eerste twintig jaar weiland, verkondigde hij triomfantelijk. Ik gaf te kennen dat er toch uitbreiding zou komen. Ja dat was wel zo, maar niet op deze grond. De uitbreiding zou plaatsvinden op de vier hectare die meer tegen het bestaande industrieterrein aan lag. Dumont zei: “Wij zijn druk doende om dat aan te kopen maar dan nog betwijfel ik of er plaats is voor een transportbedrijf.” Met deze boodschap kon Jan vertrekken. Ik ging naar huis en zocht uit wie er eigenaar zou zijn van de vier hectare waar de uitbreiding wel op zou plaatsvinden. Dat was baron Van Leeuwen Boomkamp in de buurtschap Appel bij Nijkerk. Na een paar dagen te hebben nagedacht belde ik die mensen op of ik eens mocht komen praten. Dat mocht en ik werd heel hartelijk ontvangen.
De man was van adel en zag er ook aristocratisch uit, hij bezat een landgoed van driehonderd hectare met een paar boerderijen erop. “Zo jongeman, dus jij hebt belangstelling voor dat puntje in Baarn.” Ik vertelde dat ik met mijn bedrijf knel zat en dat de gemeente niets voor mij wilde of kon doen. “Nou wij willen dat wel verkopen, maar ik ga daar zelf niet over, dat doet onze .
Dat is mr. Ozinga en die woont op de Churchilllaan in Amsterdam. Ik zal hem op de hoogte brengen van je bezoek hier en je belangstelling voor de vier hectare. Dan werk je het met hem maar verder af.” We bleven nog een beetje gezellig napraten met zijn vrouw, die als meisje Jiskoot geboren was op Rusthoek, een van de mooiste buitenplaatsen van Baarn. Vol goede moed keerde ik huiswaarts. In de week daarop regelde ik een afspraak met mr. Ozinga. Nou, dat viel tegen.
Ten eerste mocht ik maar net binnen komen, het gesprek werd in de hal gevoerd en ging als volgt. “Zo dus u bent die man die belangstelling heeft voor die grond in Baarn.” Ja dat ben ik, antwoordde ik. “Weet je wel dat die grond wel eens industrieterrein zo kunnen worden?” Ja dat weet ik en daarom wil ik het ook kopen. “Die grond gaat heel veel geld kosten jongeman”, zei hij mij veelbetekenend aankijkend. Wat noemt u veel geld, vroeg ik. “Je moet in dubbele cijfers gaan denken”, sprak hij heel gewichtig. Ja, die lopen van 10 tot 99, wat gaat u vragen? “Ik wil daar 16 gulden per vierkante meter voor ontvangen”, sprak hij, en liep gelijk naar de deur om me uit te laten.
Een beetje beduusd liep ik terug naar mijn auto, ik had immers net een stuk grond voor drie gulden per meter gekocht. Voor vier hectare zou 16 gulden in totaal 640.000 gulden zijn, vermeerderd met de kosten zeven ton. Ik kon hooguit 70.000 gulden bij elkaar krijgen, dus reed ik met de staart tussen de benen terug naar Baarn. Dit is een verloren zaak, zei ik thuis. Het is op dit moment nog gewoon een weiland, dat misschien een andere bestemming krijgt, dus dat krijg ik nooit gefinancierd.