Hoofdstuk 40 · 1959–1999
Een goed gesprek
3 min lezen · blz. 106–108 in het boek
Ik had eens uitgerekend hoeveel uren wij maakten om een melkrit in zijn geheel uit te voeren, uit en thuis. Het werd me al snel duidelijk dat de prijs per liter die we kregen veel te laag was. Al ik de ritten narekende met een heel scherpe uurvergoeding van 17 gulden voor man en auto, betekende het dat we jaarlijks circa 35.000 gulden tekort kwamen. Dat was de moeite waard om mee aan de slag te gaan. In het voorjaar werd iedere melkrijder uitgenodigd om op het kantoor van de Verenigde Gooische Melkcentrale (VGM) in Hilversum te komen. Het was een soort tribunaal, bestaande uit mr. De Groot van de CMC, een econoom van de CMC en mr. Windsma. Die laatste was directeur van de VGM, woonde toevallig in Baarn en had mijn vader goed gekend. Ze zaten met z’n drieën op een verhoging en ik zat er met de pet in de hand voor. Iedereen was vriendelijk en ze begonnen dat ik wel heel tevreden zou zijn over het afgelopen jaar, want er was meer melk geproduceerd dan in voorgaande jaren dus had ik een beter rendement ontvangen. Daar was ik ook heel blij om, zei ik, maar ik had iets anders. Ik richtte me tot mr. De Groot en herinnerde hem aan het gesprek met mijn moeder. Weet u wat op dit moment een timmerman kost, vroeg ik. Nee, dat wisten ze niet. Dat was 17,50 per uur, zo had ik bij verschillende aannemers nagevraagd.
Een timmerman, ging ik verder, heeft een kist gereedschap van circa 300 gulden, maar mijn mensen werken met een vrachtauto van nieuw 30.000, dus doe ik het heel netjes als ik die 17,50 per uur hanteer. Zo kwam ik tot de slotsom dat er bij de drie ritten tezamen 35.000 gulden op jaarbasis bij moest. Het bleef een poosje stil achter de tafel tot mr. De Groot het woord nam en me duidelijk maakte dat dit helemaal nooit kon op geen enkele wijze. Ik speelde de vermoorde onschuld en zei dat hij had beloofd dat als ik kon aantonen dat ik het verdiende, ik het ook zou krijgen. Van mijn vader had ik geleerd: je breekt liever je poot dan je woord. Ik zag mr. Windsma genieten van het spelletje en de econoom en mr. De Groot gingen in conclaaf. Uiteindelijk zei mr. De Groot dat de meeste melkrijders boeren waren die het melk rijden er in de verloren uren bij deden en dat zo de literprijs was ontstaan. Ze hadden begrip voor mijn situatie maar het maximum wat ze konden doen was 10 cent per liter verhoging geven.
En daar moest ik heel blij mee zijn, want dat kreeg niemand. Ze verzochten me dan ook dringend niet over deze verhoging te praten, want dat zou de zaak geen goed doen. Ik voelde dat er niets meer in zat en ging akkoord met de 10 à 12.000 extra die het uiteindelijk geworden was. Daarop gaf ik de heren netjes een hand en mr. Windsma kneep er extra in. Hij kon het niet zeggen, maar ik las in zijn ogen iets van: goed gewerkt jongen. Ik was pas 24 jaar en had toch de slag gewonnen van twee directeuren en een econoom. Fluitend liep ik naar de toen dertien jaar oude Mercedes AD-27-90 en reed zingend naar huis. Een mooie wagen, eerst van ome Teus, toen van mijn vader en nu reed ik erin.