Hoofdstuk 39 · 1959–1999
Boerderij goed verkocht
3 min lezen · blz. 103–105 in het boek
Voor een betere financiële positie wilde ik eerst van de boerderij af en daarna binnen vijf jaar van de boerenmelk. Tegen mijn moeder zei ik: die boerderij gaat uiterlijk einde dit jaar weg. ‘Liever het korte verlies dan de lange ellende’, was een spreuk die ik mijn leven lang zou gebruiken. Naast het bod van 46.000 gulden was er nog geen enkele belangstelling voor de boerderij geweest. Half december 1964 werd ik gebeld door iemand uit Mijdrecht. Of die boerderij nog te koop was. Ja, blufte ik, maar niet lang meer want eind december gaat hij weg. De man wilde meteen komen kijken en die middag liet ik hem de boerderij zien, zonder makelaar.
De man was foeragehandelaar (veevoer) en volgens mij paste het pand goed bij hem. Na de bezichtiging vroeg hij: “Wat bedoelde je met in december gaat hij weg?” Ik zei: normaal gesproken bemoei ik me niet met de verkoop, dat doet de makelaar, maar ik heb wel beslist dat iemand hem eind van de maand krijgt. De vraagprijs is 75.000 gulden en ik heb een bod van 69 en een bod van 70. Uiterlijk 31 december krijgt iemand de gunning. Als u mee wilt bieden moet u bij de makelaar zijn. De volgende dag belde de makelaar en zei: “Jij hebt gisteren met een man uit Mijdrecht gesproken over de boerderij, klopt dat? Nou, die heeft zojuist 71.000 gulden geboden.” Dat is fijn, antwoordde ik, maar u hoeft mij niet eerder te bellen dan dat de man zijn tien procent heeft betaald. Er is de laatste tijd al zoveel tegengevallen dat ik me alleen blij laat maken met dingen die zeker zijn.
Er gingen twee weken voorbij en op de oudejaarsavond van 1964 om een uur of tien ging de telefoon: makelaar Eilander: “Ik heb de hele dag geprobeerd je te bereiken, maar die koper uit Mijdrecht heeft 7100 gulden gestort.” Ik herinner me nog het gelukzalige gevoel, mijn vader had er immers 64.000 gulden voor betaald, en ik zei tegen de makelaar: als er iemand in Baarn het recht heeft om vanavond echt dronken te worden, dan ben ik dat. Een mooier oudjaar had ik me niet kunnen bedenken. Al het geld ging wel naar de heren financiers in Zeist, maar met een klein beetje erbij kon ik afscheid van hen nemen. Toen ik het pand verliet zei de directeur: “Tot ziens Dorrestijn.” Nou dat denk ik niet, zei ik, u zult me hier niet meer zien. “O, hoe denk jij dan als je nu al oude auto op is een nieuwe te kopen?” Eerst bij elkaar sparen en dan kopen, antwoordde ik. “Dat ga je niet redden”, zei hij, “er is geen transporteur die dat redt.” Daar kreeg hij wel gelijk in, ik heb altijd vreemd geld nodig gehad om wat dan ook te kunnen realiseren.
De volgende goede stap was het gevecht om de litervergoeding voor het melk rijden. Na het overlijden van mijn vader kregen we een condoleancebezoek van mr. De Groot van de Coöperatieve Melk Centrale (CMC) uit Utrecht. Die had een gesprek met mijn moeder over het voortbestaan van de zaak. Zij vond dat mijn vader altijd te weinig voor zijn werk had ontvangen en ik vond dat ook. “Als je dat kunt aantonen, moeten wij dat betalen”, zei mr. De Groot. Nou, dat was niet tegen dovemans oren gezegd. Bij de eerste jaarlijkse prijsafspraak had ik mijn huiswerk klaar.