Hoofdstuk 38 · 1959–1999
Afscheid van Teus
3 min lezen · blz. 100–102 in het boek
In die tijd kwam het hout los in een boot aan en werden er door de havenwerkers binnenboord pakketten gemaakt die door een kraan op de door ons afgekoppelde trailers werden geladen. Jaren later werden de staalbandapparaten uitgevonden en ging er veel minder fout, want het is echt niet eenvoudig om een los gestapeld pak hout te laden, vervoeren en bij de houthandel te lossen. Jenny nam in die tijd de telefoon aan en alles wat een paar handen had werkte van vroeg tot laat. Zelf reed ik met James als bijrijder de melkrit Eemnes. Ik had van Theus Neef een mooie Mercedes met een kapotte motor gekocht. Samen met Rex een nieuwe motor in Duitsland gehaald en een mooie lage Floor aanhangwagen voor 1000 gulden van Hendrik Hop erachter. De hele combi werd keurig geschilderd en gespoten en wij waren zo groots als een hond met zeven lullen. Tussen het melk rijden van 10.30 tot 17.00 reden we hout vanuit Amsterdam naar Huizen en Utrecht. Dat gebeurde zo strak gepland dat als we het zaten te berekenen in laden, rijtijd en lossen je het eigenlijk geen twee keer kon doen, maar wij deden het. De voor het hout werden er onder het rijden naar Amsterdam ingezet en het was ook heel normaal om tijdens het rijden over de triangel van de motorwagen naar de aanhangwagen te gaan met alle uitdagende gevaren die dat met zich meebracht. Tja dat waren nog eens tijden. Gijs reed in die tijd met een tractor een melkrit en Teus ook.
Met Gijs ging het goed maar Teus was te makkelijk en had overal maling aan. Ik zag hem een keer voor de kroeg staan op de Laarderweg. Dat paste niet bij mijn manier van ondernemen, maar hij vond dat het moest kunnen. Hij reed toen de rit Blaricum en de wegen zijn daar een beetje smal. Die mensen hoefden in die tijd geen heg te snoeien, dat deed Teus al rijdend. Totdat er weer iemand uit Blaricum belde: “De chauffeur van uw tractor heeft een stuk uit mijn hek gereden.” Teus kwam thuis en werd op het matje geroepen: “Gelul, ik heb niets geraakt.” Nou, dan gaan we bij de wagen kijken want daar zitten dan krassen op. En wat denk je? Hing er nog een stuk hek achter aan zijn aanhangwagen. Hij draaide altijd achteruit op een heel kleine ruimte met de kont in de heg en had met de trekhaak van zijn aanhanger een stuk uit het hek meegenomen. Ook flikte hij het een keer om bij kapper Kwakernaat in de Sparrenlaan het fietsenrek met zes fietsen al rijdend te verplaatsen met alle kosten van dien. Wij mopperden steeds meer: wat wij verdienen help jij weer naar de kloten. Teus vond dat alles een beetje overdreven, tot hij met een veel te zware vracht pulp van Halfweg naar Baarn kwam. Een 312 Mercedes had 5500 kg laadvermogen en wij laadden meestal 7000, dat kon hij wel hebben. Teus kwam thuis langs met een vracht pulp voor Blaricum en ik zag het al aan het voertuig, het stond er bij als een postduif met een baksteen op zijn rug. Hoeveel heb je geladen man, vroeg ik hem. Dertien ton, antwoordde hij. Vind je dat niet een beetje achterlijk, alle veren en banden gaan er aan. Nou dat viel wel mee, vond Teus. Toen heb ik afscheid van hem genomen met de woorden: Teus, ga jij maar bij een ander de boel naar de kloten helpen ik heb geen werk meer voor je. Met deze woorden was zijn ontslag geregeld.
Teus is een paar jaar bij een sloper gaan werken, waar hij zich heerlijk uit kon leven. Daarna kocht hij een taxi en toen hij zijn eigen spatbord moest betalen is hij denk ik veranderd. Daarna begon hij internationaal gestrande auto’s af te slepen voor de ANWB en twintig jaar later had hij toch het grootste en modernste autobergingsbedrijf van midden Nederland op poten gezet. Het zat dus toch echt wel in zijn bloed. Jaren later als ik bij hem kwam verbaasde ik me over de professionele aanpak en netheid van zijn zaak in Blaricum.