Hoofdstuk 35 · 1959–1999
De kinderen
2 min lezen · blz. 93–94 in het boek
Als ik nu in 2011 terugblik op ons huwelijk heb ik het met Jenny als mijn vrouw bijzonder goed getroffen, want ondanks mijn ondernemende levensstijl zijn we nog steeds bij elkaar en dat was zeker niet mijn verdienste. Ik heb tegen mijn vrienden wel eens gezegd: de scheidingspapieren hebben al een paar keer op het nachtkastje gelegen, maar we hebben ze na goed overleg toch maar weer opgeborgen. En bij leven en welzijn hopen we over twee jaar ons vijftigjarig huwelijk te vieren.
Monique en Jan Robert zijn gezonde en fijne volwassen mensen geworden, ze hebben elk twee kinderen gekregen. Monique en Gregor kregen Natasja en Boris, Jan Robert en Nadya kregen Jim en Luna. Michel heeft veel pech in zijn leven.
Op de grafische school Utrecht, waar hij als hoogbegaafd bekendstond, openbaarde zich schizofrenie. Wij hadden er eigenlijk nog nooit van gehoord en toen men het ons vertelde zei ik: maar dat is toch wel te behandelen? Ja, antwoordde de arts, behandelen wel maar het is niet te genezen. Hij is toen opgenomen in het AMC en wij namen zitting in een praatgroep om ermee te leren omgaan.
Een op de honderd kinderen krijgt het en dat zijn er heel wat, landelijk gezien. Het erge van alles is dat door verandering in zijn gedrag hij zijn jeugdvrienden verloor. Die konden zijn psychotisch gedrag niet meer begrijpen, hij vereenzaamde en kwam op straat tussen heel andere vrienden terecht. Hij kreeg iedere drie weken een depotspuit als medicatie, kon mede daardoor niet normaal werken en raakte helaas aan de drugs. Hij is nu 43 jaar, we hebben nog goed contact met hem en hij leeft gelukkig niet meer zonder vaste woon-of verblijfplaats. Hij komt nog wel regelmatig thuis om met zijn vriend in de tuin wat bij te verdienen, maar samen zijn ze gebruikers geworden met alle narigheid die daarmee gepaard gaat. Gelukkig is zijn karakter goed gebleven en blijft het een lieve jongen, maar het is wel erg moeilijk te accepteren. Zo heeft ieder huis zijn kruis, zullen we maar denken.