Hoofdstuk 31 · 1957–1959
Een mooie slaapplaats
6 min lezen · blz. 83–86 in het boek
Het was een dag voor we een grote oefening rond LaCortine zouden maken en ik was bezig mijn lier mooi strak op te rollen. Zo’n lier bestaat uit circa 50 meter staaldraad van anderhalve centimeter dik op een elektrisch bedienbare rol waarmee je de wagen zelf, of een ander uit de modder kon takelen. Mijn lier moest altijd netjes opgerold en ingevet zijn en ik had de lier helemaal afgerold door het einde aan een betonnen paal vast te binden en mijn wagen achteruit te rijden. Dan zette ik mijn wagen in zijn vrij, schakelde de lier in en heel langzaam rolde mijn wagen vooruit en werd de staaldraad keurig strak en vrij van modder of zand weer opgerold. “Hé Jan, dat gaat geweldig zo”, zei Rush Hartland, “dat zal ik straks ook eens doen.” Je moest wel blijven opletten. Vier meter voor je wagen de paal nadert stap je erin, zet de lier uit, maakt hem los van de paal en doet het laatste stukje met de hand en de zaak is weer piekfijn in orde. Een paar uur nadat ik mijn lier had opgerold hoorde we een klap en viel overal de stroom uit. Wat was er gebeurd? Iemand had keurig zijn lier aan de paal gebonden, achteruitgereden en afgerold, de lier ingeschakeld en uitgestapt om te zien dat zijn wagen naar de paal werd getrokken. Helaas was hij vergeten om de wagen van de blokkeerrem af te zetten waardoor niet de wagen naar de paal maar de paal naar de wagen werd getrokken. Aangezien het een paal met stroomvoorziening was zaten we een paar uur zonder stroom en mochten de lieren niet meer op deze wijze worden opgerold. Kort na dat voorval kwam Jan E. me opzoeken, die was tijdens een andere oefening zijn ransel kwijtgeraakt. Hij kreeg alles nieuw behalve zijn pubtent. Dat is een halve tent die aan elkaar met een ander een hele vormde.
Geen enkele had een extra tent meegenomen, dus Jan zou niet weten waar hij moest slapen. Een normaal mens raakt zoiets ook niet kwijt, merkte ik op, maar je mag wel bij mij slapen. Ik sliep nooit in een tent. Al heel lang had ik mijn laadbak een spant kleiner gemaakt door achter mijn cabine een extra tussenzeil te monteren, op een voorgaande oefening was er een groot camouflagenet van een tank zoekgeraakt en dat deed het met een slaapzak uitstekend als bed en slaapkamer. Ook was het heel nuttig als je niet gezien wilde worden of gewoon even je snor wilde drukken. Jan was er laaiend enthousiast over, ik had er zelfs een kleine transistorradio en verlichting in gemaakt en Jenny was met een magneetfoto ook nog aanwezig. Hij had wel een probleem, want het stroomaggregaat stond op zijn auto en om twee en vijf uur ’s nachts werd hij door de wacht gewekt om te controleren of alles nog goed draaide. Nou ja, zei ik, slaap maar aan de laadbakkant en ik slaap er wel doorheen. Even later kwam Jan terug met zijn spullen, maar de duffe was ook meegekomen. Hij had Jan met de slaapzak gezien en die wist geen uitvlucht te verzinnen. “Zo, dus jullie zijn van plan om in de wagen te slapen?” Hij vond het duidelijk geen goed idee, maar ik zei: nou, dat kan helaas niet anders opper, want we hebben maar een halve tent en daar kan je niet onder slapen. De bekeek ons gezellige en huiselijke plekje en foeterde: “Dit heeft niets meer met een veldoefening te maken, dit is pure verwennerij en dat sta ik niet toe. Elbertsen, je gaat naar de foerier van het 41ste en ook van het 101 tankbataljon en ik wil schriftelijk weten dat ze geen tent hebben want ik laat me door jullie niet belazeren.” Nou ja, dat wist Jan al en na een kwartier kwam hij terug met briefjes van de twee foeriers, die beiden geen tent meer voor hem hadden. We keken de opper aan met een gezicht van ‘ja lullig hè?’ Hij bekeek de briefjes vluchtig en zei: “Dorrestijn, jij hebt sowieso een eigen tent en je bent altijd goed in het improviseren, je maakt die halve tent aan je auto vast en daar slaap je vannacht onder dat zou je in tijd van oorlog ook zo doen. En Elbertsen zoekt het zelf maar uit, maar er wordt niet in de wagen geslapen.” Nou, dat gingen we dan maar doen. Ik zette naast het voorwiel mijn halve tent op, maar dacht: als hij denkt dat ik hier vannacht onder ga liggen, dan had hij dat gedroomd.
Tegen Jan zei ik: jij blijft gewoon hier, als het appèl om tien uur geblazen wordt haal ik alles naar binnen en gaan we beiden in de wagen slapen. Om circa half negen kwam de duffe nog een keer langs, keek naar mijn halve tent en zonder een woord te zeggen liep hij door. Een uur later begon het te storten van de regen en we moesten ons haasten met het afbreken om zelf niet drijfnat te worden maar toen we zelf gezellig naar de neerstromende regen lagen te luisteren kreeg ik een gelukzalig gevoel. Toen Jan E. om drie uur gewekt werd om zijn wagen te controleren, hoorde ik achterin een gemopper. Wat was dat, vroeg ik de volgende ochtend, waarop Jan zei: “Ik struikelde over iemand in de laadbak en dat bleek de opper te zijn!” Ik deed het achterzeil iets open en staarde verbaasd in het slaapdronken gezicht van de duffe. Die keek naar zijn deels natte slaapzak en zei: “Ja, ik had niet gedacht uit mijn tent gespoeld te worden en in tijd van oorlog moet je vindingrijk zijn, dus ben ik hier maar gaan slapen. En het lijkt me een goed idee dat jullie voor mij ook zo’n bed maken als je daar voorin hebt.” Dat gaan we regelen opper, zei ik zonder blikken of blozen. Bij de wasbak zei ik tegen Jan dat we een logé kregen. “Flikker toch op man, dat kan hij ons toch niet aandoen? Zit de zak al naast me als we rijden, komt nog bij me slapen ook.” Maar ik ga er niet tegenin, zei ik. We maken een bed voor hem op de zitbank van de laadbak.
Zolang hij daar slaapt hebben wij niets te vrezen en slapen heel wat fijner dan in zo’n tentje. Om tien uur meldde de opper zich en bekeek met een tevreden gezicht zijn nieuwe slaapplaats. ’s Nachts ging het weer helemaal fout. Jan E. werd om drie uur gewekt om zijn wagen te controleren, schoot wat kleren aan en verdween in de laadbak. Gescheld: “Je staat op mijn hand lul, je weet toch dat ik hier lig?” Jan was de man helemaal vergeten, maar die was de volgende morgen niet eens boos. Toch ging het de volgende nacht weer fout. Ik had namelijk boven zijn hoofd een winkelhaakje in het zeil gesneden, gewoon om hem als het ging regenen nat te laten worden. Daardoor was hij naar de andere kant verhuisd, zonder Jan E. erin te kennen. Die denderde dus weer voluit over de beste man heen. “Je gaat in het vervolg maar vooruit door het achteruitrijluikje, ik wens rustig te kunnen slapen”, mopperde hij de volgende morgen. En dat gebeurde tot de oefening was afgelopen.