Naar de inhoud
Inhoud

Doorzoek alle 55 hoofdstukken, het voorwoord en het slotwoord.

Hoofdstuk 30 · 1957–1959

LaCortine

5 min lezen · blz. 79–82 in het boek

LaCortine met links en rechts de kazerne gebouwen
LaCortine met links en rechts de kazerne gebouwen

LaCortine met links en rechts de kazerne gebouwen

Vier dagen waren we alweer vrij man toen we ons opstelden om naar Frankrijk te vertrekken. De colonne was een indrukwekkend machtsvertoon, de Jeep met de leiding voorop gevolgd door circa veertig vrachtwagen. Bozua was weer mijn wagencommandant en dit keer was mijn wagen zelfs helemaal volgeladen met . Dat is een goede zaak, dacht ik. Thuis zeiden we vroeger: “Wie appelen vaart, wie appelen eet.” Toen we in LaCortine aankwamen en alles geteld werd had ik er tien tekort. Ze zullen bij het inladen wel niet goed geteld hebben, zei ik tegen Bozua, u kunt er beter maar een rapport van opmaken. Dat werd gedaan en wij zaten voorlopig ruim in de chocolade, sigaretten, kaas enzovoort. Het werd in die dagen wel steeds kouder en op elke kamer stond een grote hout-of kolenkachel.

Er moest dus hout gehakt worden, dat hadden we aan de overkant ook al gezien. Daar werd een gebouw bewoond door een eskadron soldaten van de Menno van Coehoorn Kazerne. Vanuit het raam zagen we een prachtige stapel hout die naast hun deur gestapeld stond. “Met een beetje moeite kunnen wij straks over hout beschikken”, merkte Kees van Nieuwehuizen op. We wachtten tot ze naar de eetzaal waren afgemarcheerd en gingen met een man of tien naar de overkant, om elk vier blokken te pakken. Binnen een paar minuten stond er een prachtige stapel hout naast de kachel. Die avond leek het nog even mis te gaan, want uitgerekend een kapitein van Menno van Coehoorn kwam als de kamer inspecteren. “Hoe komen jullie aan dat hout?”, vroeg hij. “Gewoon gezaagd en gehakt, net als uw eigen soldaten aan de overkant”, antwoordde Theo Braam. “O dat dacht ik al”, zei hij met een lichte grijns om zijn mond en hij verliet de kamer. Dat is een toffe peer, zei ik, hij had echt wel in de gaten dat het hout van hun gejat was, maar hij liet gewoon niks merken.

De volgende keer moeten we toch zelf maar gaan hakken, dat stookt toch een beetje rustiger. Enige dagen later kwam dezelfde kapitein weer nadrukkelijk in beeld. We hingen met een paar man uit het raam en keken naar het exerceren van een peloton Menno van Coehoorn. Het is best een mooi gezicht om zo’n veertig man bezig te zien die onder leiding van hun kapitein trainden in het goed halt houden, presenteer geweer, in één klap weer neerzetten enzovoort. De kapitein sprak zijn mensen op een beschaafde manier toe, bij anderen ging dat meestal met snauwen en schreeuwen gepaard. Ze waren aan het trainen om in Parijs voor generaal De Gaulle erewacht te gaan staan. Dat was over drie weken en wij als transportgroep zouden daar ook aan deelnemen. Daar waren we blij mee, want je was vier dagen in Parijs en als beloning ook nog een paar dagen eerder thuis. Op enige afstand stonden een en een jonge het geheel gade te slaan. Na enige tijd stapten ze op de kapitein af. De overste was het duidelijk niet eens met de manier waarop de kapitein oefende. Met een lederen stokje onder de arm en een briefje in de hand stierde hij op hem af. “Kapitein, dit lijkt helemaal nergens op, dit is een slap zootje. De derde man eerste rot, je zat aan je neus in de eerste rust, jij gaat niet mee naar Parijs! Vierde man vijfde rot, je stond te grijnzen bij presenteer geweer, jij gaat niet mee naar Parijs!” Zo ging hij nog een tijdje door, bulderend met hoog rode kleur, totdat hij vier of vijf man te grazen had gehad. Ik stond me rot te ergeren, die druktemaker stond het moreel van het peloton naar de kloten te helpen en begreep in mijn ogen niet dat de kapitein met zijn manier van werken ook goede resultaten kon bereiken. De blaaskaak zei overdreven hard: “Kapitein, laat dat zootje inrukken.” De kapitein commandeerde zichtbaar geïrriteerd zijn ingerukt mars, waarop de bullebak bulderde: “Kapitein, u kunt niet groeten, doe uw hand eens zo...”

Op dat moment schreeuwde ik uit het raam: “Jij gaat niet mee naar Parijs!” Het was gebeurd voordat ik besefte dat dit nooit ongestraft kon blijven. De brulboei stormde ons gebouw en onze kamer binnen: “Wie was die man die dat net zo flink dorst te roepen?” Dat was ik, zei ik zo rustig mogelijk. Hij had niet verwacht dat het antwoord zo vlot vanachter zijn rug zou komen, maar zei: “Waar haal jij het lef vandaan om je met de legerleiding te bemoeien?” Tja, het gebeurde maar zo hè, zei ik, toch wel een beetje zenuwachtig. “Het gebeurt ook maar zo dat jij een poosje achter slot en grendel gaat”, zei hij. Ik moest met hem mee naar het kantoor van mijn eigen . De overste liet zich aankondigen voor een gesprek en ik moest op de gang wachten. Tien minuten later kwam hij weer voor me staan, met een gezicht van maak je borst maar nat. “Jij zult er van lusten, jongeman.” Even later werd ik binnen geroepen. “ Dorrestijn, het is niet de eerste keer dat jij voor me staat, je begint een reputatie te krijgen als lastige jongen, is dat de bedoeling?” Nee dat is het niet, ritmeester, antwoordde ik. Het zou nu wel moeilijk worden om mee te gaan naar Parijs, zei ik ook. De ritmeester keek zijn adjudant even aan en zei toen: “Wij hebben besloten je wel mee naar Parijs te nemen, maar uitsluitend omdat we goede chauffeurs nodig hebben.” Dat vind ik heel tof van u, zei ik, maar hij keek me vorsend aan en zei: “Jij hebt hier niets tof te vinden en je krijgt evengoed tien dagen en nu kan je inrukken.” Ik groette keurig zoals me dat geleerd was en verliet met een juichend gevoel het kantoor.

Buiten kon ik wel zingen, die straf was eigenlijk niets, alleen geen maar daar maakte ik hier toch al geen gebruik van. Op de kamer werd direct “Jij gaat niet mee naar Parijs” geroepen. Nou, zei ik, dat gaat Jan dus wel, en vertelde wat er gebeurd was. “Jij bent ook een mazzelpik”, zei iemand, “als een ander zoiets flikt gaat hij een maand het hok in en jij krijgt helemaal niets.” Ja het is maar net hoe je het brengt, je moet ze af en toe een beetje bijsturen en dan gaat het goed. “Je lult weer lekker maar ik heb het idee dat jij hier vrij veel mag”, klonk het ergens een beetje jaloers. Ja, antwoordde ik, en om je de waarheid te zeggen, dat bevalt me eigenlijk wel goed.