Hoofdstuk 29 · 1957–1959
Jullie gaan naar Nieuwersluis
3 min lezen · blz. 76–78 in het boek
We gaan naar LaCortine, deze verwachtingsvolle woorden hoorde je ettelijke malen per dag. De 6x6 Dafs werden weer omgebouwd, met beschilderde zijschotten zodat ze op tanks leken. Er werd ijverig doorgesmeerd en olie bijgevuld, iedere bout werd nagetrokken, je voertuig werd weer een makker van je waar je op moest kunnen rekenen. Dat hield wel in dat je dan ook goed voor hem moest zorgen. Het was of het lot ermee speelde, of misschien wel op zijn verzoek, maar Bozua was weer in mijn wagen ingedeeld. Wij hadden het beheer en distributie van de . Mijn wagen werd dus geladen met zevenhonderd pakketten met elk voedsel voor vijf man, waaronder crackers, kaas, sigaretten, chocolade, blikken ananas, pork en op te warmen maaltijden in blik. Kamer V13, de transportgroep, zou niets tekortkomen. Met Jan E. ging het minder goed: “Wat denk je dat ze mij flikken, die duffe wachtmeester wordt mijn bijrijder. Als ik aan iemand een gloeiende pesthekel heb is het aan deze sukkel en uitgerekend die lul zetten ze naast me in mijn auto. Ik rij hem hartstikke dood, ik rij rechts met neergeklapte voorruit zo kort langs de bosje dat hij tussen de takken en het achterschot van de cabine dood gefrommeld wordt.” Nou nou, suste ik, hoe denk je daar zelf vanaf te komen? Een beetje bang maken zodat hij een andere wagen kiest zou nog kunnen. Maar doodrijden? Daar kom je zelf ook niet zonder kleerscheuren vanaf. Daardoor kalmeerde Jan een beetje, maar hij bleef foeteren. Doordat wij de reputatie hadden elkaar door dik en dun te steunen en men ons ook nog wel eens verwisselde, had men ons uit elkaar gehaald en Jan E. overgeplaatst naar de staf.
Dat was gebeurd na een inspectie van de Na een oefening werd je uitrusting geïnspecteerd en als er iets ontbrak, moest je dat zelf betalen. Dat heette ‘rekening man’. Onze bedden stonden naast elkaar en we hadden alles netjes uitgestald, alleen Jan miste een stel koppelpassanten. Ik verzin wel iets, zei ik. Toen de wachtmeester binnenkwam kon hij niet anders dan constateren dat mijn uitrusting in orde was. Hij draaide zich om naar het bed van Jan E. en in dezelfde beweging draaide ik me ook om en legde mijn koppelpassanten op Jans bed. “Wat doe je nou”, vroeg de wachtmeester verbaasd. Ik leg daar even mijn koppelpassanten neer, zei ik zonder blikken of blozen. U zag het, maar u hoeft het niet te zien, u moet gewoon inspecteren wat er op de bedden ligt. Bij mij klopte het en nu klopt het bij Elbertsen ook, dat kan toch? Zijn gezicht begon rood aan te lopen, maar Jan en ik bleven hem staalhard aankijken alsof wij het de normaalste zaak van de wereld vonden. We moesten echter op zijn kantoortje komen en daar brieste hij: “En dachten jullie nou werkelijk mij te kunnen belazeren?” Laat maar zitten, zei ik terwijl ik hem een beetje meelijdend aankeek, u begrijpt het toch niet. Daar werd hij nog bozer van en hij bulderde wat mijn registratienummer was. Dat ratelde ik met zo’n snelheid af dat hij het niet kon volgen, waarop Jan E. tot mijn verbazing zijn nummer nog vlugger afratelde. Nu barstte de man bijna uit elkaar en schreeuwde: “Jullie gaan naar Nieuwersluis!” Wij keken met een gezicht van ‘doe maar’, waarop hij driftig papieren begon in te vullen en uiteindelijk zei hij: “Jullie gaan eerst in voorarrest.” Nieuwersluis (tussen Loenen en Breukelen) was een strafinrichting van het leger waar onhandelbare jongens bijgebracht werd hoe het wel moest in het leger. Ook moest je de tijd die je daar zat extra nadienen. We werden in aparte cellen gezeten, in afwachting van ons proces.
Volgens de bewakers kwamen we zelfs voor de krijgsraad. Nou, dacht ik, ik zal het wel beleven, afmaken mogen ze ons toch niet en martelen is ook niet toegestaan. Het was de eerste keer dat ik echt alleen gevangen zat en dat viel toch best wel tegen. Ik had al diverse straffen opgelopen, zoals , geen , twintig rondjes hardlopen, maar dag in dag uit alleen in een hok van vier bij vier was geen pretje. Na vier dagen moesten we op rapport komen bij de van het 41e tankbataljon. Dat stelde niet veel voor, we gingen niet naar Nieuwersluis maar moesten die week nog in onze cel blijven. De week erna moesten we gewoon mee naar LaCortine. Hij waarschuwde verder geen stommiteiten uit te halen en zei: “Jullie hebben geluk dat we naar Frankrijk op oefening gaan, anders hadden we een zwaardere straf uitgedacht.”