Hoofdstuk 28 · 1957–1959
Een nieuwe korporaal
4 min lezen · blz. 73–75 in het boek
Toen ik later terugkwam, werd ik op de kamer begroet door een spichtig korporaaltje dat zich enigszins hautain voorstelde: “Ik ben korporaal Kolders, jullie nieuwe korporaal en !” Een van de huzaren vroeg: “O, hadden we een nieuwe nodig? Zonder jou ging het eigenlijk ook best.” Die was een vrij grote jongen, Theo Braam, zoon van een transportondernemer in IJmuiden. Hij was van 59-1 en bezat een humor en understatement die ik heel goed aanvoelde. “Ik vind het hier maar een slordige kamer”, sprak het korporaaltje. “Ik ben vanuit de opleiding heel wat anders gewend, moet je mijn kast zien vol met deuken en een gat in het plafond boven mijn bed.” Braam: “Ja daar heeft die vorige korporaal geslapen, die deuken in die kast heeft hij er in een overspannen toestand in geslagen en daarna is hij het prikkeldraad in gelopen. ‘s Morgens hebben ze hem gevonden, bijna dood gevroren, zulke geintjes moet je ook zomers doen.” Kolders was een beetje van zijn stuk gebracht en begreep niet wat Braam bedoelde, waarop ik zei: je moet je niet te veel met ons bemoeien dan raak je niet overspannen. Het zat Kolders tegen dat hij een groene baret droeg en geen commandogroen, maar Menno van Coehoorn of verbindingsgroen. Dat was veel minder dan de zwarte baret van de huzaren, we noemden hem al snel de ‘groenling’. Hij werkte op de administratie en zei dat hij op korte termijn ook een zwarte zou krijgen. Wij betwijfelden dat, wij hadden hem eerst moeten verdienen en de uitreiking was plechtig en met veel mooie woorden verlopen. Kolders werd door de kamer veelal genegeerd of gepiepeld.
Zo moesten we vrijdagavond de kamer grondig schoonmaken voor de inspectie om acht uur. Normaal begonnen we om half acht, maar onze nieuwe korporaal begon al om half zeven te drammen dat we moesten stoppen met kaarten. “Waarom begin je zelf niet”, was meestal de reactie, “je wilt toch bij de transportgroep horen? Laat dan ook je handen eens wapperen.” En ja hoor, de schat pakte een stofdoek en begon ijverig te stoffen, terwijl wij gniffelend verder kaartten. Op een keer ging Theo Braam ineens rechtop staan en zei: “Jongens dit gaat niet goed, die korporaal probeert ons te verneuken. Beste korporaal, dat je dit voor ons doet dat waarderen wij zeer want jij hoeft dit niet te doen, dit is ons werk, en jij offert je als korporaal op het vuile werk te doen. Ja zo lijkt het tenminste, maar het is niet zo. Jij bent bezig ons te verneuken want je slaat de kruizen van de tafels over, en wie krijgt er straks de schuld? Wij! Wij moeten boeten voor jouw slechte werk dus of je doet het beter of je blijft eraf.”
Met een extra dosis ijver stortte de korporaal zich op de tafelkruizen en de kaarters speelden grijnzend door tot het echt tijd werd om te gaan schoonmaken. Op een dag vroeg Braam aan Kolders: “Hoe zit het eigenlijk met die zwarte baret, krijg je die nou nog eens?” Het bleef even stil, maar toen antwoordde Kolders: “Ik heb er al zoveel keer om gevraagd dat ik hem nu niet meer wil, weet je, ik schijt op die zwarte baret.” Hij wilde ook eens ruig doen, maar dat liep niet goed voor hem af.
“Dit pikken we niet mannen”, brulde Braam met goed gespeelde boosheid. “Onze baret wordt door deze korporaal door het slijk gehaald, dit snijdt me door de ziel, ons wapen als Huzaar van Boreel waar veel mannen hun leven voor hebben gegeven wordt hier door een korporaal met groene baret dermate beledigd dat wij dit onmogelijk kunnen tolereren, hier moet helaas rapport van worden opgemaakt, dit is een belediging van ons wapen en dat is niet goed te praten.” Kolders leunde bleek tegen zijn kast aan, hulpeloos om zich heen kijkend naar een tiental huzaren die hem beschuldigend aanstaarden. Braam had zich even omgedraaid om zijn gezicht weer in de plooi te krijgen en zei toen: “Mannen wat moeten wij hiermee? Wij staan allen onder de en zijn verplicht dit ondermijnend gedrag te rapporteren. Tenzij, als de anderen het ook goed vinden: of jij wast de hele week onze af en spreekt ons de hele week met U aan of we maken rapport op wegens het beledigen van ons wapen in het openbaar.” De zielenpoot had geen keus en zei direct: “Ik was wel af en zeg de hele week U tegen jullie.” Het was van korte duur want twee dagen later werd hij overgeplaatst naar een meer bij hem passend regiment en zaten wij weer zonder korporaal en kameroudste.