Naar de inhoud
Inhoud

Doorzoek alle 55 hoofdstukken, het voorwoord en het slotwoord.

Hoofdstuk 27 · 1957–1959

Even naar Jenny

2 min lezen · blz. 71–72 in het boek

Met Jenny voor mijn eerste Mercedes met een Paul en van Weelde cabine en een WIT stuur.(dat vond ik gaaf !!)
Met Jenny voor mijn eerste Mercedes met een Paul en van Weelde cabine en een WIT stuur.(dat vond ik gaaf !!)

Met Jenny voor mijn eerste Mercedes met een Paul en van Weelde cabine en een WIT stuur.(dat vond ik gaaf !!)

Op de terugreis naar Amersfoort begonnen Bozua en ik zowaar een beetje aan elkaar te wennen. Hij was niet zo beroerd, alleen een beetje overdreven militaristisch ingesteld en dat valt in de opleiding niet op maar bij de parate troepen wel. We kwamen veilig in Amersfoort aan en ik kreeg twee weken verlof. De gedachte aan het weerzien met Jenny deed mijn hart sneller kloppen. Ik kende haar al vanaf mijn twaalfde jaar, tot mijn zestiende hadden we verkering en toen ging het zomaar uit omdat ze geen koffie wilde inschenken. We zaten op een avond na het melk rijden om de tafel met een man of tien en ik vond dat zij wel koffie in kon schenken, maar zij dus niet. Toen was het koffie inschenken of vertrekken en ze vertrok. Ik heb haar echt wel gemist maar was te eigenwijs om contact te zoeken. Toen ze na twee jaar weer belde was ik blij en sloeg de vlam weer in de pan. Thuisgekomen merkte ik dat het niet zo goed ging met het bedrijf. We waren een grote klant kwijt waar twee jaar terug vier nieuwe Scania-trucks met aanhangwagens voor waren aangeschaft. Alles was over vijf jaar zwaar gefinancierd en berekend op volle weken werk. Nu werd er voor kantoren in Amsterdam gereden voor een veel slechtere prijs en maanden op je centen wachten. Daar kwam nog bij dat mijn vader al jaren tobde met astma en bronchitis, na vijf stappen had hij al geen lucht meer om de telefoon te beantwoorden. Ook had hij in vijf jaar tijd al vier broers verloren en zei hij wel eens dat hijzelf nu aan de beurt was. Van al die narigheid begon hij te veel te drinken, het was vroeger ook al geen heilige maar nu werd het een probleem.

Ik heb met respect van mijn vader gehouden en het deed me pijn dit alles te moeten aanzien. Wel was iedereen blij dat ik er weer was, vooral mijn jongere broer Gijs hing erg aan me in die tijd. Ik werd gewoon ingedeeld in lopend werk en iedereen vond dat normaal. Je kreeg te eten en aan het einde van de week een tientje extra en dat was het. Toen de veertien dagen om waren wilde ik eigenlijk wel weer terug naar de Boskamp, maar mijn vader vroeg me of ik niet nog een week kon blijven helpen. Normaal gesproken kon dat niet, maar ik kon me wel ziek melden en dan ‘s maandags na twaalf uur, dan had je die dag al te pakken. In de loop van de week had je kans op controle van de Militaire Politie en dan moest mijn moeder zeggen dat ik die dag net was vertrokken. Zelf moest ik dan zo vlot mogelijk naar huis zien te komen, uniform aan en naar de Boskamp terug om me te melden als terug van ziek thuis. Op de kamer werden dit soort dingen altijd uitgedokterd, maar door een enkeling ook uitgevoerd en ik was er één van.