Naar de inhoud
Inhoud

Doorzoek alle 55 hoofdstukken, het voorwoord en het slotwoord.

Hoofdstuk 26 · 1957–1959

Rijles in Hohne

2 min lezen · blz. 69–70 in het boek

Oefening in het zand met volle vracht
Oefening in het zand met volle vracht

Oefening in het zand met volle vracht

Een paar uur na het plasincident hebben we anderhalf uur stil gestaan omdat een motorordonnans tussen twee drietonners was doodgereden. Het is ook een hele onderneming om zonder kleerscheuren een paar honderd voertuigen met alle soorten manschappen enige honderden kilometers te verplaatsen. Rond de middag reden we het kazernecomplex van Hohne binnen. Wij, de transportgroep als onderdeel van de VZ (verzorging van het bataljon), moesten zorgen voor eten en drinken voor de manschappen en de bevoorrading van de tanks en ander rollend materiaal. Zo ook het aftanken van de tanks in het terrein als ze oefenden op de hei. Dat vond ik pas heerlijk werk, met twee wagens vol benzine naar een plek in het terrein. Samen met Kees Lagewaard stonden we op de hei te wachten toen er een Doge Webb naderde.

“Dat is Van Egmond, een van 59-1”, zei Kees. Tot mijn grote verbazing zat Bozua achter het stuur. Hé , aan het lessen? “ Ja Dorrestijn, als het zo doorgaat rij ik terug naar Holland.” Bozua moest even het veld in en ik kreeg zin in een geintje. Ik pakte mijn krik en zei tegen Egmond en Lagewaard: kijken of hij straks zijn eerste appèl uitvoert. Ik krikte een wiel een centimeter los van de grond en legde uit: als hij straks instapt komt hij niet van zijn plek en ziet hij ook het wiel niet draaien. Je wijst hem niet op je voorwielaandrijving hè, zei ik tegen Van Egmond. Een paar minuten later kwam Bozua weer terug gewandeld. Lukt het een beetje wachtmeester, vroeg ik, mijn gezicht zo goed mogelijk in bedwang houdend. “Met zo’n topinstructeur als Van Egmond moet dat lukken”, antwoordde hij. De motor sloeg aan, hij gaf gas en de motor loeide als een gek, waarna ik hem wanhopig hoorde zeggen: “Wat doe ik nou verkeerd, Van Egmond?” Nadat de wachtmeester met een hoogrode kleur nog een paar keer gas had gegeven, zei Van Egmond: “Gaat u maar eens onder de wagen kijken, wachtmeester.” Na enig aarzelen deed hij dat en zag al spoedig de krik onder de achteras staan. Hij draaide zich naar Van Egmond en vroeg: “Heb jij dat gedaan?” Toen die ontkende, dacht de wachtmeester even na en riep toen: “Dorrestijn!! Hier komen!!” Ik kwam een beetje bedremmeld glimlachend achter mijn wagen vandaan en had toch nog de moed om te zeggen: het had een boobytrap kunnen zijn, u hebt ons geleerd eerst je appèl uitvoeren en oefening is oorlog. “Haal onmiddellijk die krik eronderuit en je hoort nog van me.” Pas toen ze waren weggereden kwam de kop van Kees Lagewaard boven de jerrycans uit en konden we pas echt voluit gieren van het lachen. ‘s Avonds toen we allang in bed lagen hoorde ik een paar late feestgangers die ruim aan Bacchus geofferd hadden in de gang lallend schreeuwen: “En waar slaapt onze krikkenpiloot?”