Naar de inhoud
Inhoud

Doorzoek alle 55 hoofdstukken, het voorwoord en het slotwoord.

Hoofdstuk 25 · 1957–1959

Oefeningen over de grens

3 min lezen · blz. 66–68 in het boek

Onderweg naar Hohne
Onderweg naar Hohne

Onderweg naar Hohne

“Heb je het al gehoord mannen”, sprak Kees Lagewaard, een spruitjesplukker uit het Westland van 58-4. “We gaan naar Duitsland op oefening, naar Hohne of Sennelager dat weet ik nog niet precies, maar we gaan over veertien dagen.” Nou dat was goed nieuws vond ik, ik wilde wel weer eens de weg op. “Ja maar voor jou ziet het er niet zo gunstig uit Dor”, grijnsde hij, “ik heb vanmorgen de colonnelijst gezien en weet je wie jouw bijrijder is? Dat is ons aller vriend en mierenneuker Bozua.” Nou ja, dacht ik met kramp in mijn maag, ik zie het wel.

Twee weken later stond er een lange colonne opgesteld om te gaan oefenen in kamp Hohne in Duitsland. Het was ongeveer 450 kilometer en dat stelde met mijn chauffeursverleden eigenlijk niets voor.

Maar voor jongens die in dienst hun rijbewijs haalden was dit een behoorlijke rit. Zo ook voor wachtmeester Bozua, die tijdens een inspectie op de kamer voor me ging staan en sprak: “Zo Dorrestijn, dus jij bent mijn chauffeur naar Hohne. Denk er goed om vooraf van een goede nachtrust te genieten, want het is meestal twaalf uur rijden en ik wil geen slapende chauffeur.” Ik wilde hem eigenlijk het één en ander van mijn thuis vertellen, maar zag er van af toen ik zijn blik zag. Twee dagen later vertrok de stoet, het was een imposant geheel. Eerst de jeeps, dan de lichte vrachtwagens en dan wij met de drietonners met als achterhoede de kraanwagens en bergingsvoertuigen, twee motorordonnansen ervoor en erachter. Het eerste wat Bozua vanmorgen vroeg was: “Heb je het eerste appèl uitgevoerd?” Na mijn bevestiging wilde hij ook de checklist zien en wees hij me nog eens op het belang van dat appèl: “Er kunnen boobytraps onder je wielen liggen en dan ga je de lucht in voor je hebt gereden.” Hij vergat dat het geen oorlog was en ik al twee weken niets anders te doen had dan mijn voertuig in orde te brengen voor de reis, maar zo zat de man nu eenmaal in elkaar.

Tijdens de rit vroeg hij me wat ik in het burgerleven had gedaan. Toen ik vertelde dat ik vanaf mijn vijftiende achter het stuur zat, stelde hem dat zo gerust dat hij zelfs ging zitten knikkebollen. Zo’n mannetje met een grote bek, voor de kamer staan blazen dat je wakker moet blijven maar zelf gaan zitten pitten. Die wilde ik eens een lesje leren. Toen hij zijn ogen dicht had pakte ik vanachter mijn stoel de staaf van de krik en gaf een harde klap op de stalen motorkap die tussen ons in zat. “Wat gebeurt er nou”, schreeuwde hij. Ik maak u even wakker wachtmeester, zei ik zonder een spier te vertrekken. “Ik sliep helemaal niet, jongeman.”

Nou ja, dan moest hij ook maar niet doen alsof. Na een paar uur moest ik plassen, maar de wachtmeester wist niet wanneer we zouden stoppen. Ineens wist ik het, gewoon uit de wagen pissen, aangezien we met dit mooie weer zonder deuren van cabinezeil reden met een gangetje van 25 kilometer. Ik nam iets ruimer afstand van mijn voorganger, zette de wagen op handgas en vroeg netjes: wachtmeester, wilt u even mijn stuur vasthouden? Veel tijd om na te denken gaf ik hem niet want ik stond op en met een hand aan de voorruit en de andere aan de snikkel ledigde ik al rijdend de blaas.

Zoiets duurt in zo’n situatie altijd langer dan gewoonlijk, mede doordat achter me het tafereel werd opgemerkt en met luid geschreeuw en getoeter werd ondersteund. Tot overmaat van ramp begon Bozua te schreeuwen: “Ze stoppen, ze stoppen.” Inderdaad zag ik de remlichten van mijn voorgangers aanflitsen en moest ik afknijpen. Het lukte me om zonder waterschade de zaak op te bergen en net op tijd gleed ik weer achter het stuur om af te remmen. “Zoiets flik je me niet meer jongeman, anders volgen er disciplinaire maatregelen, heb je dat goed begrepen!”