Hoofdstuk 24 · 1957–1959
Een man te veel
4 min lezen · blz. 62–65 in het boek
Fred Reinders ~ Jan Dorrestijn ~ Theo Braam ~ Marius Rietveld ~ Praks ~ Dick Laan
Die week was ik kamerwacht, dat hield in dat je de zorg had met een paar de kamer netjes te houden. Daar moest je niet te makkelijk over denken, want de inspecteurs waren rap met ‘niet in orde, doe maar over’. Ook had je de verantwoording voor het aantal mensen dat er moest zijn. En daar ging het op een avond fout, om vijf voor tien telde ik de koppen en ik had er geen 32 zoals het kamerrapport aangaf, maar 33. Eén te veel, dus dat geeft trammelant dacht ik, denkend aan het rapport dat ik zou moeten schrijven. Wie is er hier en hoort er niet te zijn, vroeg ik luidkeels. Dat beek Beurze te zijn, een grote kerel wiens vader een kolenzaak had in Amsterdam. Rot op joh, je bent hier te veel, je hebt AP () volgens mijn lijst en je mag overal zijn maar niet hier. Beurze keek me een beetje schaapachtig aan. “Ja ik heb eigenlijk AP”, zei hij met enigszins dubbele tong van de alcohol. “Wat doen we nu?” Ja oprotten of verdwijnen, ik kan je hier niet hebben dus moven. Hij staarde me hulpeloos aan, terwijl in de kamer naast ons te horen was dat de inspectie al was begonnen. Kruip in de corveekast, opperde iemand en dat leek mij ook de enige redding op dat moment. Met enig wringen paste hij net in het gedeelte van de stalen kast waar de bezems en langere hulpstukken stonden. Ik deed de deur op het hangslot en als de om de sleutel vraagt heeft iemand die AP heeft hem per ongeluk meegenomen, zei ik zodat iedereen het hoorde.
We stonden maar net op tijd weer voor de bedden, want drie tellen later zwaaide de tussendeur open en stapte de wachtmeester van de week de kamer binnen. Met een ‘geef acht’ zei ik: Dorrestijn meldt niemand onwettig afwezig. Hij liep met een keurende blik door de kamer, telde de koppen en vertrok: “Alles in orde en welterusten mannen.” Dat was goed afgelopen en dat had Beurze in de kast ook gehoord: “Hé boys, maak die kast open, ik vind het zo wel genoeg.” Hoezo genoeg, werd er geroepen, je zit toch best daar? Bovendien hebben we gezegd dat we de sleutel niet hebben. “Flikker op met je gelul en maak die kast open, of ik trap die deur eruit.” Nog praatjes ook jochie, merkte iemand op die dat normaal nooit tegen hem zou durven zeggen. Beurze was een van de grootste en sterkste mannen van de kamer, maar nu hij als een sulletje in de kast zat opgesloten durfde hij wel.
“Als ik eruit kom maak ik jullie één voor één af”, klonk het uit de kast. Een van de huzaren meende dat wij dat niet hoefden te pikken, liep naar de kast en begon hem naar het midden van de kamer te schuiven: “Wij gaan even met je sollen jochie, net zolang tot jij een beetje aardiger tegen ons bent.” Hij gaf de kast een duw en we gooiden hem van man naar man. Hij werd wel steeds zwaarder en zelfs zo zwaar, dat iemand hem wel of niet opzettelijk op de grond liet kletteren. Er werd gelachen en gejoeld, maar boven alles uit klonk het gebrul van een getergde Beurze. Terwijl hij ons uitschold bolde de deur angstwekkend naar buiten, alleen bijeen gehouden door een klein hangslotje. “Horen jullie dat mannen, deze brutale aap in de kast heeft nog niets geleerd, wij gaan door met les twee”, zei iemand en begon de kast op te tillen en samen met de anderen werd hij op zijn kop gezet. Het gierend gelach buiten de kast en het steeds grover wordend gescheld erin was niet van de lucht.
Toen het even bedaarde stapte de woordvoerder weer naar de kast en sprak: “Beste huzaar Beurze, als je ons belooft je netjes te gedragen zetten we je weer op je benen en doen de kast open, zo niet dan blijf jij zo staan en gaan wij naar bed.” “Ik beloof alles wat jullie maar willen maar zet me nu op mijn voeten, want ik word ergens nat van”, klonk het uit de nog steeds op zijn kop staande kast. Oké, zei de woordvoerder tegen de kast en pas toen zagen we dat er blauwe verf onder de kastdeur uit sijpelde. Eén van de bussen onderhoudsverf was opengegaan met alle gevolgen van dien. Dit was pas echt erg, een huzaar in een kast met een lekkende bus blauwe verf ter hoogte van zijn kruis. Als kamerwacht en medeplichtige vond ik dat ik iets moest doen: jongens het is zo mooi genoeg geweest. We zetten de kast goed en ik maakte hem open.
De meeste omstanders maakten zich uit de voeten en bekeken van afstand hoe Beurze uit de kast zou verschijnen. Hij zat van zijn middel tot aan zijn schouders onder de blauwe verf. “Dit is niet leuk meer”, waren zijn eerste woorden toe hij eruit stapte.
Met een wraakzuchtige blik keek hij om zich heen. Tja, het is een beetje uit de hand gelopen, zei ik. “Je lult lekker maar wat moet ik nou”, zei hij naar zijn onder de verf zittende eerste grijs kijkend. Benzine laten halen en schoon maken wat kan. Wat niet schoon te krijgen is moet Keulenaar maar oplossen, tenslotte is hij . Nadat de schoonmaak met benzine was gelukt, zocht ieder zijn strozak op. Met de zorg dat er de volgende dag toch nog wel een nieuw uniform voor Beurze geritseld moest worden, viel ook ik in slaap.