Naar de inhoud
Inhoud

Doorzoek alle 55 hoofdstukken, het voorwoord en het slotwoord.

Hoofdstuk 22 · 1957–1959

Wraak op de duffe

2 min lezen · blz. 58–59 in het boek

Op oefening met dummy tank
Op oefening met dummy tank

Op oefening met dummy tank

Die dag kregen we iets nieuws: EHAF (eerste hulp aan het front). Dat werd gegeven door een heel speciale , zijn naam was Bozua en het bijzondere aan hem was zijn overdreven netheid. Dat was te zien aan zijn schoenen, koppel, uniform, handen, alles. Ik zei tegen Cor: die man is zo netjes, volgens mij neuken ze thuis met mes en vork. Maar zijn werk en uitleg was goed, wel een beetje bij het overdreven af maar dat paste wel bij hem. Aan het einde van de morgen waren de meesten van ons in staat om een snelverband om een open beenbreuk te leggen en een slagaderlijke bloeding te stelpen door hem af te binden. Om twaalf uur was het afgelopen en met een houding van ‘wat zijn jullie nog groen en wat moeten jullie nog veel leren’ verliet hij de kamer. Het was etenstijd en ik had opgemerkt dat sommige jongens niet in de eetzaal hun brood opaten maar op de kamer.

Dat leek me wel wat, ik nam mijn brood mee naar de kamer, erop voorbereid weggejaagd te worden, maar dat gebeurde niet. Vanaf dat moment had ik een plaats aan de tafel van de transportgroep. Nauwelijks had ik mijn brood op of Jan E. kwam binnen slenteren. Ik vertelde hem hoe ik mijn bed had opgevuld. Geweldig, vond hij, ze moeten meer en meer verneukt worden. Intussen waren we in het open raam van de barak gaan zitten, lekker in het zonnetje. We zaten daar een paar minuten te praten toen er tussen de barakken door iemand aan kwam fietsen: die duffe. Zou hij het wel goed vinden dat wij hier in het raam zitten? Dat viel mee: “Goedemiddag heren”, zei hij zowaar. Hij zette zijn fiets tegen de uitbouw van de barak, waar de zij-ingang en vier toiletten in ondergebracht waren. Dat gebouwtje had een plat dak en ik zei meteen tegen Jan: kom op, die fiets op het dak. Met een zwaai kregen we hem er zo mooi op, dat hij vanaf de grond niet te zien was. Heel de operatie duurde nog geen dertig seconden en dat was maar goed ook, want we zaten maar koud weer in het raam of die duffe kwam weer naar buiten. We vonden hem al niet zo snugger, maar dit kon hij helemaal niet wisselen. Na drie keer in de rondte te hebben gekeken wendde hij zich tot ons: “Hebben jullie mijn fiets gezien?” Hoezo opper, antwoordde ik met een stalen gezicht, u had toch geen fiets bij u? Ook Jan E. zei: “Ik zag u net lopend aankomen.” Nu begon hij toch een beetje aan zichzelf te twijfelen. Hij keek ons nog wel doordringend aan, maar toen dat niets opleverde kon hij niets anders doen dan met enigszins afhangende schouders het pad af lopen waar hij volgen hem fietsend, maar volgens ons lopend vandaan was gekomen. Toen hij uit het zicht was klommen we de kamer in en huilden overwinningskreten: verneukt!! Die duffe klootzak had van ons een rekening gekregen, we voelden ons heerlijk. De fiets heeft zeker nog veertien dagen op het dak gelegen.