Hoofdstuk 21 · 1957–1959
Een namaak-Jan
3 min lezen · blz. 55–57 in het boek
Een paar dagen later kwam ik mijn oude vriend Jan Elbertsen weer tegen. Hij was ingedeeld bij de STAF, in een barak naast ons. Dat had iets te doen met de verbindingen binnen het bataljon. Ik zat bij de verzorging. Eten, benzine, alles wat nodig was om zowel de tanks als de bemanning gezond en in beweging te houden. Alhoewel ik Jan helemaal niet zo’n chauffeur vond, had hij al eerder een auto dan ik. Dat ontdekte ik toen hij bezig was de kantine en de keukens te bevoorraden. Hij stond op zijn open DAF 6x6 drietonner toen ik kwam aanlopen.
Hé ouwe gabber, hoe gaat ie? “Heel goed”, antwoordde hij, “ik heb een bed, een dak boven mijn hoofd en een hele wagen vol met vreterij.” Kan je niks missen, vroeg ik gekscherend. “Voor jou altijd”, zei hij, en zonder zich te bekommeren om de en de dienstdoende pakte hij voor mij een doos gevulde koeken. Op mijn kamer zette ik de doos onder mijn bed, maar na een paar minuten kwam Jan binnen rennen. “Ze vinden het niet goed”, zei hij grijnzend. Daar was ik al bang voor, zei ik lachend, neem maar weer mee. Ik dacht je roept me gelijk wel weer terug maar er gebeurde niks hè, dus liep ik door. “Nee maar nu gebeurt er wel wat denk ik”, antwoordde Jan. Een halfuur later was hij weer terug met de mededeling dat we op rapport zouden moeten.
De officier van piket kon het nog wel als geintje zien, maar die opper met die duffe kop niet. Die wilde persé dat er rapport werd opgemaakt, de stakker. De volgende morgen om half tien stonden wij strak in de houding voor de die ons niet-begrijpend aan keek. Het was stelen en dus eigenlijk een zaak voor de krijgsraad vond hij, maar aangezien het allemaal openlijk onder de ogen van het toezicht gebeurde ook weer niet. De duffe vond dat hij het niet ongestraft kon laten. En dus kregen wij onze eerste straf, bestaande uit tien dagen . Dat betekende geen verlof en geen , dus kon ik niet naar Jenny en dat tien dagen lang. Dat leek me niks en een dag later wist ik het. Ik had in mijn rekrutentijd al eens een geintje uitgehaald met een bombakkes en een lelijke kop met haar en met een beetje improvisatie moest dat lukken. Ik vulde mijn bed met kleding uit mijn eigen kast en met nog een geleend kussen van een leeg bed leek het sprekend op een slapend mens.
Nog even de dichtstbijzijnde lamp losgedraaid en om tien uur lag ‘Jan Dorrestijn’ keurig onder de wol. Cor beloofde er een beetje voor te gaan staan, want er gold een stelregel: gekleed voor je bed of naakt onder de dekens. Om ongeveer zes uur reed ik de poort uit naar mijn ouders en Jenny en beleefde een mooie avond. Om even voor twaalf was ik weer aan de poort van de Boskamp en nadat ik mijn brommertje in de stalling had gezet liep ik toch wel een beetje gespannen naar mijn kamer. Er was genoeg buitenverlichting om me uit te kleden, dus maakte ik niemand onnodig wakker. Toen ik de volgende morgen aan Cor vroeg hoe het gegaan was, vertelde hij dat er eigenlijk niets bijzonders was gebeurd. De kamerwacht van die dag had de kamer gemeld met een “Niemand onwettig afwezig”. De was door de kamer gelopen, had de corveekast gecontroleerd en was vertrokken met een: “Nou, dat was het, slaap lekker mannen.” Dat is dus simpel en doe ik overmorgen weer, besloot ik.