Hoofdstuk 20 · 1957–1959
Niet nog een keer
3 min lezen · blz. 52–54 in het boek
Zo geschiedde het dat iedere een paar keer van achter naar voor door de roestvrijstalen bakken onder de stromende koudwaterkranen door getrokken werd. Toe ik na mijn tweede wasbakbeurt een beetje pijn aan mijn dijbeen voelde, bleek er een stuk van een oud scheermesje in te zitten. Het bloedde hevig en hoewel sommigen dat pas echt vonden, mocht ik er toch een pleister op plakken. Op de kamer viel het allemaal wel mee en ik dacht eigenlijk een beetje trots: zo dat heb je ook weer gehad, afdrogen en lekker slapen. Maar dat zou anders gaan, want na een minuut of tien kwam er weer een man of zes de kamer in en weer onder aanvoering van die grootsmoel. Onder luid gejoel en “waar is die filler met die grote bek” kwam hij mijn kant op stieren. “Jij gaat nog een keer”, zei hij triomfantelijk.
Nou dat kan je vergeten dacht ik en voordat iemand me kon benaderen had ik mijn pioniersschop in mijn hand en stond tussen twee bedden met de rug tegen de muur. Met een gezicht van ‘ik vecht me dood’ schroefde ik hem open en zei: degene die me aanraakt is zijn arm kwijt of zijn kop ligt in tweeën. De grootsmoel deinsde toch achteruit, draaide zich half om en zei tegen de grootste man die naast hem stond: “Wat doen we Beurse?” Op dat moment drong er zich iemand in pyjama naar voren die niet had meegedaan. “Stoppen jongens, dit gaat fout voor wie dan ook.
Het is einde oefening, laat iedereen naar zijn bed gaan het is zo mooi geweest.” De man in pyjama bleek korporaal en te zijn. Hij had dus wat te vertellen en de grootsmoel, met een vermanende vinger van ik krijg jou nog wel, zocht toch zijn eigen hoek op in het andere eind van de zaal. Langzaam werd het rustiger en ieder kroop onder de wol. Ik had net mijn ogen dicht of er klonk: “Wie doet het licht uit?”
Er brandde nog een ronde glazen bol ongeveer een meter of zes bij me vandaan, maar de lichtknop zat heel ergens anders. “Die filler met die grote bek moet het licht uitdoen, waar hebben we anders fillers voor”, klonk het uit de hoek. “Dorrestijn doe het licht uit”, klonk ineens de stem van de korporaal. Oké, antwoordde ik en pakte zonder een moment na te denken een leeg limonadeflesje en gooide de lamp aan diggels. Het gekrijs was niet van de lucht maar er werd ook wel een beetje onderdrukt gelachen en gemompeld: “Dat is wel een echte filler.” Het mooiste was dat niemand zijn bed uit durfde komen vanwege het glas dat overal lag. Ineens ging er een ander licht aan en de rustige korporaal had een bezem uit de corveekast gepakt en begon zonder een woord te zeggen de vloer aan te vegen.
Het enige wat hij zei toe hij de bezem weer in de kast zette was: “En nu slapen allemaal.” De volgende morgen deed ik of er niets was gebeurd, maar ik bedankte de korporaal wel voor het opruimen van het glas. “Ja dat kan wel zijn”, zei hij, “maar als je niet voor tien uur zorgt voor een andere lamp, moet ik het helaas rapporteren met alle gevolgen van dien.” Wat die gevolgen zouden zijn wist ik niet en ik wilde het niet weten ook. Tijdens het ontbijt moest ik een andere lamp organiseren en dat was in een paar minuten geregeld. Cor Beentjes ging op de uitkijk staan en bij de B.O.G. (Bataljons Onderhoud Groep) schroefde ik en de bol en de peer eraf en alles was bij ons weer zoals het hoorde. Ik zag de korporaal enigszins bewonderend naar me kijken toen hij binnenkwam uit de eetzaal, maar hij zei of vroeg niets.