Naar de inhoud
Inhoud

Doorzoek alle 55 hoofdstukken, het voorwoord en het slotwoord.

Hoofdstuk 19 · 1957–1959

Paraat op de Boskamp

4 min lezen · blz. 48–51 in het boek

De Boskamp in Amersfoort
De Boskamp in Amersfoort

De Boskamp in Amersfoort

Op mijn bromfiets had ik ongeveer 20 minuten nodig om vanuit Baarn op de Boskamp in Amersfoort te komen. Ik herinner me nog goed de eerste kennismaking met kamer V13. Nadat ik me die middag had gemeld bij de wachtcommandant en door de van de wacht naar mijn toekomstig verblijf was gebracht, mocht ik een bed uitzoeken. ‘Transportgroep’ stond er op de deur, dat sprak me wel aan. De kamer was een lange zaal met aan twee kanten bedden, aan één zijde ramen en een grote kachel in het midden. Ik had mijn bed uitgezocht in een hoek bij het raam en mijn volgens het handboek voor de soldaat in mijn kast geborgen. Sloom stond ik een beetje te dromen voor de grote kachel toen de deur openging. “Haal je handen uit je zak, ”, klonk het achter me. (Een filler is een soldaat die net zijn opleiding heeft afgerond.) Ik draaide me half om en keek in het norse brutale gezicht van een onbekende huzaar. Hij was niet al te groot en dat was ook mede de reden dat de man mij geen enkel gezag inboezemde. Bovendien had hij geen streep of zo en ik was niet van plan me door elke willekeurige zak de les te laten lezen. Ik keek hem aan, dacht ‘wat moet je, lul’ en zei: pardon? “Dat je rap je klauwen uit je zak moet halen”, klonk het nogmaals.

Als je daar zo’n gebrek aan ziet probeer jij ze er dan eens uit te halen, antwoordde ik niet het minst onder de indruk van zijn geblaf. “Nou meteen al een grote muil filler, vanavond dan piep je wel anders dan pakken we je wel, en dan ga je met je kloten door de wasbak”, sprak hij triomfantelijk. Hoor ik het goed, “we”, vroeg ik hatelijk, alleen ben je tot weinig in staat hè? Met een “wacht maar af filler” ging hij naar de hoek van de kamer waar zijn bed stond. Na een paar minuten ging de deur opnieuw open en stapte er een forsgebouwde man binnen die zich voorstelde als Cor Beentjes. Ik keek hem eens aan en het klikte zonder woorden. “Waar ga jij slapen?”, vroeg hij. Daar in de hoek, wees ik met mijn hoofd. “Vind je het goed als ik je word?”, zei hij en zonder mijn antwoord af te wachten koos hij het bed naast het mijne. Hij was een beul van een gozer, ruim twee meter en toch atletisch gebouwd. Daar kon ik vanavond wel eens gemak van krijgen, dacht ik naar die grootbek in de hoek starend. Er kwamen steeds nieuwe mensen binnen, deels de huidige bewoners waarvan sommigen heel duidelijk lieten weten dat zij de oudehap waren! En dat die kutfillers die erbij gekomen waren wel eens even afgeknepen zouden worden. In totaal kwamen er acht nieuwe jongens bij van de 58-6. De rest van de 32 man was ouder en dus al langer in dienst.

Vandaar die kapsones van en ouwestomp waar wij volgens de daar geldende wet respect voor moesten hebben. Wel een beetje ruige bende hier hè, zei ik tegen mijn slapie naar het plafond kijkend met gaten van vermoedelijk bezemstelen en bajonetten. Dat zag je op Willem III niet. “Nee”, zei hij, “maar dit is op zich al een oude bende met een hele slechte naam in de oorlog.” Ja dacht ik, er hebben zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in deze barakken veel grotere drama’s afgespeeld dan dat wij hier zullen beleven. Plotseling kwam er beweging in het hele circus. Iedereen greep zijn en bestek en het zag ernaar uit dat er ergens gegeten kon worden. Dat was inderdaad het geval, in de voorste helft van de barak was de eetzaal waar achter een tafel twee man voor eten hadden gezorgd. Onder het toeziend oog van de van de week werd er opgeschept oftewel ingeploft.

Gelukkig hadden de mestins hoog opstaande randen want ik had de indruk dat men vooral bij de fillers expres lomp schepte, terwijl de oude stomp vooraf zei hoe hij het hebben wilde. Uitkijken en dagen tellen pleegde mijn vader vroeger wel eens te zeggen en dat was hier zeker het geval. Na het eten werden de mestins in de hal bij de wasbakken schoongespoeld, hier zouden ze ons vanavond dus ingooien dacht ik, nou ik wacht het wel af. Ze hebben het allemaal overleefd dus dat zal mij ook wel lukken. Het bleef rustig tot na het avondappèl, maar nadat de wachtmeester zijn hielen had gelicht ging de deur van de aangrenzende kamer open en onder aanvoering van de grootsmoel stormde een twintigtal jongens de hoek in waar wij sliepen. “Gore kutfillers jullie gaan de wasbak in, wil je lopen of moeten we je slepen? Met of zonder pyjama?” Snel in een tel had ik mijn pyjama uit en werd als gewillig slachtoffer afgevoerd naar de wasbak.

Cor werd ook zonder slag of stoot meegevoerd en ook de rest van de nieuwkomers moest mee, de meesten net als ik slechts gekleed in hun slip. “En fillers gaan de wasbak in, links rechts troella, en fillers gaan de wasbak in, holladiee. En de ouwe hap wordt korporaal, links rechts troelala, en de ouwe hap wordt korporaal, holladiee.” Uit zo’n twintig kelen klonk het best wel imponerend. Door de gang naar buiten en daar moest je een weggetje oversteken om bij de wasbak te komen, de scherpe stenen onder je voeten maakten dat je nog ongelukkiger liep. Binnen waren intussen alle twintig kranen op een rij open gedraaid en de eerste werd achteraan in de wasbak gepleurd, zoals dat iedere keer klonk: “Pleur ze erin en scheur ze erdoor.”