Naar de inhoud
Inhoud

Doorzoek alle 55 hoofdstukken, het voorwoord en het slotwoord.

Hoofdstuk 16 · 1957–1959

Een wachtmeester gefopt

2 min lezen · blz. 42–43 in het boek

Oefening in een tank
Oefening in een tank

Oefening in een tank

Na enige dagen mochten we als de tijd daar was op eigen gelegenheid gaan eten, maar als nieuwe muziek moest je de oude altijd voor laten gaan. Daar hadden wij moeite mee, wij netjes op onze beurt in de rij, komt er zomaar een man of tien oude hap langs je heen en gaat voor. Dat kunnen wij ook, zei Jan E. Morgen doen we het stropdasje onder het boordje, bij de eetzaal doen we het knoopje los en dan gewoon doen of het zo hoort en dan lukt het. Nou het lukte ook een keer of vijf maar net toen we eraan begonnen te wennen kreeg een toeziend ons in de gaten en vroeg waar we de brutaliteit vandaan haalden om op deze manier vóór te eten. Nou, zeiden we, eigenlijk beviel ons dit beter dan in de rij staan. Daar was hij het dus niet mee eens en Jan E. moest zijn baret afgeven en zich na het eten bij hem komen melden. Wat een lul hè, zei ik onder het eten, maar dat gaan we oplossen. Hoe dan, vroeg Jan. Nou, ik zag net toen ik brood bijhaalde dat jouw baret ongeveer twee meter bij de buitendeur vandaan ligt op een kastje. Hij staat daar zelf met z’n rug naartoe de zaal in te kijken, jij gaat nu je etensbled (groot roestvrij stalenbord met vier vakken) inleveren en loopt achterom naar de keukendeur, je wacht daar tot ik aan hem ga vragen hoeveel man hij dagelijks te eten geeft, hij doet dan zeker twee stappen naar me toe en op dat moment pik jij je baret terug en gaat naar de kamer. Dat klonk goed en we gingen het direct uitvoeren. Jan stond op om z’n bled in te leveren en ik ging richting hofmeester om hem de voor hem interessante vraag te stellen. Als antwoord kreeg ik dat er op dit moment voor circa 900 manschappen exclusief officieren gezorgd werd en in een flits zag ik Jan E. z’n baret wegpakken. Ik had moeite om mijn gezicht in de plooi te houden maar slaagde erin de hofmeester te bedanken en slenterde naar de kamer. Daar aangekomen werd de geslaagde actie met een luidkeels “verneukt!!” gevierd. Je moet er wel van uitgaan dat hij je zal proberen te vinden, zei ik, kan je geen snorretje fokken? “Ja dat kan wel maar dat duurt even hè, ik trek mijn vechtpet wel diep op de ogen en dan hondsbrutaal kijken. Zo intelligent is hij ook niet dat hij uit veertig exact hetzelfde geklede mannen mij zal vinden, hoop ik.” ’s Avonds om tien uur kwam inderdaad de hofmeester mee de kamers rond, hij keek eerst mij en twintig man verder Jan E. strak en onderzoekend aan, toch was hij niet zeker genoeg om actie te ondernemen want zonder een woord te zeggen ging hij met de kamerinspectie de deur uit. Even later kwam Jan naar me toe, hij bleef me zeker tien tellen strak aankijken en ik deed bij hem hetzelfde zonder met mijn ogen te knipperen, maar het zweet stond in mijn bilnaad. Ik zei: ik denk dat we het gered hebben maat, maar voorlopig ga ik maar weer gewoon in de rij staan.