Hoofdstuk 14 · 1957–1959
De eerste opkomst
3 min lezen · blz. 36–38 in het boek
De stelde niet zo veel voor. Er waren een paar jongens die dachten wel eens even een kunstje te kunnen flikken. Maar ze vergaten dat de militaire dokters daar elke week een stel van die blaaskaken moesten keuren. Dus volgens mij zijn gewoon de geschikte mensen goedgekeurd en de ongeschikte niet.
Ik werd in ieder geval goedgekeurd en dat vonden ze thuis wel jammer, maar ik vond het goed, ik wou die diensttijd wel eens meemaken. Zo kwam het dat ik me half juni 1958 moest melden op de Willem III kazerne in Amersfoort. Bij de oproep zat keurig netjes een treinkaartje waar ik dankbaar gebruik van maakte.
Er was me medegedeeld dat je de eerste drie weken de poort niet uit mocht en ook geen bezoek mocht ontvangen. Nou, dacht ik, Jantje laat het maar over je heen komen jongen, we zien wel. Op de kazerne aangekomen werden we in grote kamers onderverdeeld. Een kamer bestond uit vier achter elkaar geplaatste tafels met banken eromheen. Langs de wanden stonden stapelbedden geplaatst waar veertig mannen in konden slapen. Daar werd ons het een en ander medegedeeld door een , Wiegers zoals hij zich voorstelde. Om te beginnen werd geprobeerd je klein te maken, althans zo voelde ik dat. “Vanaf heden staan jullie onder de , dat houdt in dat ik hier alles te vertellen heb en jullie geen ene moer, goed begrepen? En voor degene die het niet begrijpt (en die zijn er bij hoor, zei hij veelbetekenend in het rond kijkend) hebben we speciale verrassingen. Ik leg dat verder niet uit, daar kom je zelf wel achter als je denkt het beter te weten.
Dus vanaf heden zwijgen en ja knikken, mijne heren. Vandaag beginnen we naar de te gaan en zal je (persoonlijke standaard uitrusting) uitgereikt worden. Daar zit ook een handboek voor de soldaat bij, daar staat precies in hoe je kast er in de toekomst uit moet zien. Zo ook je rechten en plichten, rechten een paar en plichten een boek vol. Verder wordt er STILTE geroepen zodra een meerdere de kamer binnenkomt. En je meerdere is iedereen die een streep op zijn mouw draagt, om over sterren of balken op de kraag nog maar te zwijgen.” Zo ging de uitleg een klein uurtje door, met hoofdzakelijk het doel je een gevoel van ondergeschiktheid aan te praten. ‘s Middags kregen we inderdaad de P.S.U. uitgereikt bestaande uit binnen-en buitenpak, gevechtsuitrusting, een echte , een eerste grijs, schoenen en niet te vergeten de . Tot laat in de avond was iedereen druk bezig alles volgens de voorschriften op te bergen. Het ondergoed netjes lepelbreed opgevouwen, want ‘s middags was al meegedeeld dat een niet goed ingeruimde kast zonder pardon leeg gegooid werd door de kamerinspectie. Die inspectie vond om half tien plaats. En inderdaad werden er diverse kasten leeg gegooid door de wachtmeesters die de inspectie uitvoerden. “Om tien uur het licht uit en morgen om zes uur . Vanaf zeven uur kan je ontbijten in de eetzaal en om acht uur gekleed in binnenpak voor je bed om te kijken of jullie intussen hebben geleerd je naar behoren op te vouwen, welterusten en slaap lekker.” En met die woorden verdween de wachtmeester door de deur. Wat een vuile kanker tyfuslijer, schold een blonde Hagenaar in de hoek wiens kast ook leeg was gegooid, en overal in de kamer werden soortgelijke kreten geuit. Tot de wachtmeester ineens weer in de deuropening stond, er werd door iemand Stilte geroepen en de hardste schelders keken verschrikt naar de deur. “O ja”, sprak de wachtmeester droog, “had er nog iemand wat te vragen?” De grijns op z’n gezicht verried dat hij het gekanker had gehoord. Niemand? Welterusten dan, en de deur sloot zich achter hem.