Hoofdstuk 13 · 1957–1959
Lichting 58-06
3 min lezen · blz. 33–35 in het boek
Mei 1957. Jan!! Eruit, het was half zes in de morgen en mijn vader stond in de deuropening van de slaapzolder die ik samen met nog vier broers deelde. Ik richtte me op één ellenboog omhoog, keek slaapdronken richting deur en mompelde: ik hoef er niet uit, ik moet vandaag voor de . “Ja dat weet ik wel, maar je hoeft pas om negen uur met de trein en kan eerst nog wel even Eemnes helpen laden.” Het zal weer niet zo zijn, het is altijd wel wat. Denk je een keer te kunnen uitslapen, verzint hij wel weer wat.
Eemnes helpen laden betekende het laden van de melkproductie van de 65 boeren die op de Wakkerendijk woonden, ongeveer 180 bussen melk waarvan de meeste 40 tot 50 kilo wegen. Dus niet bepaald makkelijk werk. Dorrestijn Melktransport had inmiddels vijf van dit soort ritten in de regio het Gooi. Ik reed zelf met de tractor gevolgd door twee aanhangwagens dagelijks de rit Baarn, maar aangezien die te veel tijd in beslag zou nemen had pa wat anders verzonnen om zowel het werk af te krijgen als op tijd op de keuring te zijn. Vooruit maar weer, ik zwaaide mijn benen op de grond, schoot mijn broek en sokken aan, kop onder de kraan, trui aan, haar kammen en meneer was klaar voor het werk. Beneden zat pa al te wachten. “Môgge jochie, goed geslapen?” Ja een beetje kort hè, komt u me halen om 8.15 uur? “Dat komt goed jongen, ik zal er zijn.” Ik dronk mijn thee op en liep naar buiten om de Mercedes 312 aan te slaan om alvast warm te draaien. Even later kwam de chauffeur en vertrokken we.
Vijf huizen verder woonde mijn vriendin Jenny, die slaapt nog als een mus dacht ik. Als ik straks goedgekeurd werd, hoopte ik in dienst ook eens een beetje rust te krijgen. De laatste tijd begon ik een beetje last van mijn rug te krijgen. Niet dat ik niet meer kon, maar wel een moe gevoel. Ik wilde er niet over praten, want ik wist het antwoord al: het gaat wel over voor je een meid wordt. Nee, echt voorzichtig of meelevend was men bij Dorrestijn niet, daar was ook de tijd niet voor. Het gezin had acht kinderen en het bedrijf bestond louter uit zwaar werk en kon zodoende moeilijk personeel krijgen. Alleen echte kerels bleven hangen, zei men. Maar een chauffeur met gezond verstand zocht wel iets beters dan melk, meel of groente rijden, vond ik. Het rijden op zich was best te doen, maar alles moest er met handkracht op en af. Een zak meel was toch 50 kilo, een bus melk ook zoiets en een kist groenten 25 kilo maar die moesten dan wel weer 11 hoog gestapeld worden. Zo, daar gaan we weer, zei de chauffeur die intussen gestopt was bij de eerste boer op de Wakkerendijk. Ik deed de luiken van de laadbak open en begon de eerste bussen te lossen. Iedere boer had zijn eigen busnummer dat meestal bestond uit vier of vijf cijfers die ik uit mijn hoofd moest kennen. Het was natuurlijk niet erg als een boer de melk in de bus van de buurman leverde, maar het was minder leuk dat die buurman het dan ook kreeg uitbetaald. Om zeven uur waren alle lege bussen gelost en kon het laden beginnen. Ook weer zoiets; iedere boer moest om zeven uur de melk aan de weg hebben, dus die moest helemaal achterlijk vroeg beginnen. Maar ja zo was het nou eenmaal geregeld en daar moest je mee leven. Na een dik uur zat de vracht erop en stond vader Dorrestijn keurig aan het einde van de dijk te wachten. En kon ik me gaan omkleden voor de eerste keuring in mijn leven.