Hoofdstuk 1 · 1827–1945
Ouwe Cobus
2 min lezen · blz. 6–7 in het boek
Ouwe Cobus werd in 1827 geboren in Zeist. Van beroep was hij landbouwer, maar verder is mij niet meer bekend dan dat hij de verwekker is geweest van mijn grootvader “ Teus Dorrestijn”. Teus werd geboren in 1865 te Driebergen en koos zich een vrouw genaamd Jannetje de Bruin, geboren op 16 maart 1872 te Baarn. Ze trouwden en dreven samen een melkwinkeltje in de Ruitersweg in Hilversum. Zo’n zaakje kon bestaan door vroeg in de morgen bij boeren melk in te kopen en die in de buurt te verkopen, of te en bewerken tot bijvoorbeeld (lees yoghurt), karnemelk en boter. Kaas en eieren kochten ze elders in en al deze zuivelproducten werden dagelijks in de winkel verkocht maar ook met de , of langs de weg verkocht aan de burgers van Hilversum. Jannetje overleed aan de Spaanse griep, slechts veertig jaar oud. Ze had negen kinderen gekregen, zes jongens en drie meisjes.
Mijn vader Jan (geboren 28 mei 1910) was de jongste, hij was bijna twee jaar toen hij zijn eerste moeder verloor. Teus hertrouwde en kreeg met zijn tweede vrouw nog twee kinderen. Ook zij overleed veel te jong, ze werd slechts 31 jaar. Mijn vader was pas acht jaar toen hij zijn tweede moeder verloor. Mijn grootvader Teus is zelf gestorven aan open tuberculose. Hij heeft veel geleden, want er waren nog geen penicilline of pijnstillers. Volgens mijn moeder, die een straat verderop in de Eerste Oosterstraat woonde, kon je hem horen schreeuwen van de pijn als zijn lakens verschoond moesten worden. Het was een rustige buurt en er reden in die tijd bijna nog geen auto’s, dus was het nog heerlijk stil in en om de Ruitersweg.
Nadat Teus was overleden gingen alle elf kinderen naar een kindertehuis in Hilversum. Mijn vader vertelde me later: “We gingen daar nog net niet dood van de honger, maar het scheelde niet veel.” Alleen als je jarig was kreeg je suiker op je brood, droog brood was heel normaal. Daar hebben ze wel mijn vaders ogen laten rechtzetten, want hij was behoorlijk scheel. Het was volgens hem het enige goede dat ze daar voor hem hebben gedaan. Op een dag kwam er een dame van het armenbestuur of voogdijraad op de zaal en die vroeg aan een van de jongens: Wie is hier Jan Dorrestijn? “O die schele ligt daar in de hoek”, antwoordde er één. Hij lag ziek op bed en toen de dame aan zijn bed kwam zei ze: Zo jongen, die ogen van jou zullen wij eens netjes recht laten zetten, dat is toen ook gebeurd en daar is mijn vader haar altijd dankbaar voor geweest.